Noodsprong voor de kwaadaardigheid

Na schitterende biografieën van Schopenhauer en Heidegger schreef de Duitse essayist Rüdiger Safranski een boeklange verhandeling over het kwaad, misschien wel de grootste steen des aanstoots uit de filosofische geschiedenis. Het kwaad is onbegrijpelijk, maar tegelijkertijd onherroepelijk iets dat bij ons hoort. Het komt altijd op een irritante manier weer terug, des te catastrofaler naarmate de goede wil om er korte metten mee te maken radicaler te werk gaat.

Safranski wandelt kriskras door de geschiedenis om vat te krijgen op dat hinderlijke verschijnsel dat ons van ons `betere ik' gescheiden houdt. Net als in zijn eerdere boeken weet hij zelfs de meest ingewikkelde wijsgerige standpunten glashelder uiteen te zetten. Dat geeft het boek een opwindende avontuurlijkheid die zeldzaam is in de filosofie, al blijft er onvermijdelijk een pessimistische doem overheen hangen.

De schaduw van het kwaad lijkt in de loop van de geschiedenis alleen maar groter te zijn geworden. Bij de vijfde-eeuwse theoloog Augustinus, aan wie Safranski veel ontleent, was het kwaad nog slechts het onvermijdelijke bijverschijnsel van de vrije wil. Wie echt wil kiezen, moet ook het kwaad kunnen kiezen, aldus Augustinus. Daarmee was meteen verklaard hoe er zoveel ellende kon bestaan in een door een goede God geschapen wereld.

In de moderne tijd verdween die goddelijke welwillendheid achter de horizon. Pascal voorvoelde dat in de zeventiende eeuw al, toen hij in zijn Pensées zijn beklemming uitsprak over een koud en eindeloos heelal dat zich niet meer om hem bekommerde. Ook bij Safranski wordt het kwaad gaandeweg een kosmische onverschilligheid, waarmee het pessimisme het laatste woord lijkt te krijgen.

Maar aan het eind van zijn boek maakt Safranski een plotselinge draai waarmee hij aan die somberheid probeert te ontkomen. `In precaire situaties is er een soort plicht tot vertrouwen,' zo citeert hij de Verlichtingsfilosoof Kant. En hij voegt daar zelf aan toe: `Indachtig het kwaad (...) kunnen we altijd proberen te doen alsof een god of onze eigen natuur het goed met ons voorhad.'

Of die noodsprong overtuigend is wanneer de ellende zich werkelijk aandient, is de vraag, al is het Safranski's verdienste dat hij tenminste niet in een gemakzuchtig pessimisme zwelgt. De vacantielezer zal van die bedenkingen minder last hebben. Onder de mediterrane zon wordt zo'n idee vanzelf een stuk waarschijnlijker.

Rüdiger Safranski: Het kwaad. Het drama van de vrijheid. Atlas, 280 blz. ƒ25,–