Noem het maar veerbootlezen

Zachtjes vaart de veerboot over de kalme zee. Zon, blauwe lucht, lichte bries. Je zit aan dek, ziet de eilanden in de verte, en leest een regel. `Ik denk niet dat ik de hemel kan omhelzen ...' Je kijkt eens op en om je heen en leest er nog maar een. `Voor mij geen honing en geen bijen ...'En: `Gouden erwten groeiden langs de oevers ...'Het zijn wonderlijke regels. Gouden erwten? En waar zouden die groeien? Intussen tuft de boot verder en is er in het uitzicht niets veranderd. Je leest over een plek, ergens, met appelbomen, koud water, de schaduw van rozen en ritselend loof. `De paardenvoedende weide staat in bloei'. Je vraagt je af, terwijl de zon blikkert op de golven, of je dat woord wel eens eerder hebt gelezen: paardenvoedend. En wat een paard eigenlijk zoal eet, en of hij genoeg heeft aan een maal van gras en weidebloemen.

En zo loom verder. Noem het veerbootlezen. Ook heel geschikt voor lege treinen en volle vertrekhallen, schuddende bussen en de achterbank van langzaam rijdend en stilstaand verkeer, en trouwens ook voor op het strand, bij het huisje, voor de tent, op het terras, in de schaduw. De industrie weet het nog niet, maar gedichten vormen ideale vakantie- en reislectuur. Flexibel en gebruikersvriendelijk in alle weersomstandigheden. Niet duur, niet dik. Kan meestal ook van voor naar achteren en kriskras gelezen worden. Dat geldt zeker voor de gedichten van Sapfo, Grieks dichteres van het eiland Lesbos, zesde eeuw v. Chr. Eigenlijk mogen ze geen gedichten heten, want ze zijn allemaal, op één na, gehavend overgeleverd, in de vorm van onaffe strofen, regels, losse woorden. Wie Sapfo leest, leest vooral beletseltekens: de drie puntjes op de plaatsen waar iets is weggevallen. Ze zorgen voor vertraging bij het lezen – ideaal voor de slome veerbootlezer. Fragment 149: `Als de lange nacht hun ogen sluit ...' Fragment 156: `... klanken zoeter dan een lier, / gouder dan goud ...' En wat ging er vooraf aan de uitroep `Maagdelijkheid, maagdelijkheid, waarom heb je me verlaten?'

Sapfo staat aan het begin van de westerse poëzie. Het wonderlijke is dat de geest van begin, mei, lente, verliefdheid in haar rafels en brokstukken bewaard is gebleven. Levendig, lichtvoetig, lichamelijk – zo zijn haar liefdesgedichten. Bij het zien van de geliefde slaat het hart heftig `onder mijn ribben' en `meteen kruipt er een ragfijn vuur onder mijn huid', zoals Mieke de Vos zegt in haar vertaling van Sapfo's gedichten, verschenen in 1999. Lekker licht boekje (117 gram), handzaam formaat (17,5 x 12 cm), stevig ruggetje, zonnig omslag. De honderd gedichten en fragmenten zijn voorzien van een nawoord, aantekeningen, bibliografie en een uitgebreide namenlijst. De vertaling is rustig, nuchter en helder. Maar het kan altijd anders. Boutens vertaalde ooit: `aanstonds onderloopt een sijpelend vuur mijn leden.' Straat: `en vuur dat tintelt stijgt mij snel naar de huid op.' Wildeboer en Suasso de Lima de Prado: `trilt er een fel vuur door mij heen.' Claes: `een licht vuur loopt door mijn huid.' Warren en Molegraaf: `ineens rende een vlammetje onder mijn huid.' Volgend jaar dus alle Sapfo-vertalingen mee op reis, om te vergelijken. Leuk, voor in de file, op de boot, of op een Lesbisch strand. Of, dat kan ook, thuis, met de gordijnen dicht.

Sapfo: Gedichten. Vertaald en toegelicht door Mieke de Vos. Athenaeum - Polak & Van Gennep, 78 blz. ƒ25,–