Miloševic: politiek...en recht

SLOBODAN MILOŠEVIC in Scheveningen: de belangrijkste verdachte van oorlogsmisdaden op de Balkan zal zich nu dan toch moeten verantwoorden voor het Joegoslavië-tribunaal te Den Haag. In één klap weet het tribunaal zich geconfronteerd met de meest serieuze zaak uit zijn nog jonge geschiedenis. Dat alleen al mag tot enige, zij het voorzichtige en ingetogen, tevredenheid stemmen. Maar borstklopperij is onverstandig. De zaak-Miloševic heeft namelijk ingewikkelde politieke en juridische aspecten, die in combinatie nog tot onverwachte wendingen kunnen leiden.

Het volkenrecht, waarvan het tribunaal in Den Haag een product is, is nu eenmaal politieker van aard dan het nationale strafrecht. De wijze waarop Miloševic is uitgeleverd, illustreert dat. Zijn komst naar Scheveningen heeft zich niet volgens alle regels der kunst voltrokken. De Servische regering van voormalig oppositieleider Djindjic is daarvoor in de eerste plaats verantwoordelijk. Anders dan president Koštunica van Joegoslavië, die zijn voorganger in eigen land wilde vervolgen, heeft Djindjic er nooit een geheim van gemaakt dat hij met het tribunaal wil samenwerken. Vorige week leek hij een formeel succesje te boeken, toen de federale regering in meerderheid per decreet besloot dat Miloševic en andere gezochte landgenoten konden worden uitgeleverd. Nadat het federale Constitutionele Hof gisteren vaststelde dat deze oekaze mogelijk ongrondwettig was en daarom moest worden opgeschort, achtte Djindjic de tijd rijp voor minder formele actie. Zonder Koštunica te raadplegen, nam de Servische regering 's middags in spoedzitting bijeen de beslissing tot overdracht.

VOOR DEZELFDE TAAK ziet het Joegoslavië-tribunaal in Den Haag zich gesteld. Voor het eerst zal het een (ex-)staatshoofd berechten. Dat is een nieuwe dimensie waardoor de druk wordt opgevoerd en het VN-hof op de proef gesteld. Tot nu toe hebben de internationale rechters zich behoedzaam en vooral juridisch opgesteld, hetgeen het gezag van het tribunaal heeft bevorderd.

Maar voorzover bekend heeft de aanklacht tegen Miloševic een stevige politieke lading. Ze is opgesteld op het hoogtepunt van de Kosovo-crisis. Openlijk worden hem dus wel de oorlogsmisdaden tegen de Kosovaren voor de voeten geworpen, maar niet zijn mogelijke aandeel in en verantwoordelijkheid voor de etnische zuiveringen in Bosnië. De reden daarvoor was politiek. Tijdens de Bosnische oorlog was Miloševic nog een gesprekspartner van de internationale gemeenschap, bijvoorbeeld bij de Dayton-akkoorden die hebben geleid tot de feitelijke opdeling van Bosnië-Herzegovina.

Daarmee is niet het laatste woord over de dagvaarding gezegd. Mogelijk ligt er een aparte geheime aanklacht tegen Miloševic en diens rol in Bosnië en heeft hoofdaanklager Del Ponte daarvoor al medewerking verworven in de belangrijkste hoofdsteden. Deze methode is bij het tribunaal vaker toegepast. Voor beide oorlogen geldt in ieder geval dat bewezen moet worden dat Miloševic `bevelsverantwoordelijkheid' heeft gedragen voor de etnische zuiveringen.

POLITIEK EN MOREEL staat dat min of meer vast. De juridische bewijsvoering is echter een opgave van een andere orde. Maar als het tribunaal er in slaagt het politiek-morele spoor van het juridische gescheiden te houden, kan het een bijdrage leveren aan de ontwikkeling van de internationale rechtsorde.

Djindjic rechtvaardigde deze stap weliswaar met juridische argumenten. Als federale instituties in een patstelling raken, mag de republiek Servië conform de wet haar rechten nemen. Maar Djindjic liet geen twijfel over zijn motieven bestaan. Servië zoekt aansluiting bij het Westen. Het project-Europa, dat zich meer en meer richting Oost-Europa uitstrekt, heeft ook voor hem een welhaast magnetiserende uitstraling. Bovendien kon Servië het zich naar zijn zeggen niet veroorloven dat het lot van Miloševic nog langer getraineerd zou worden, terwijl in Brussel de donorconferentie zou beginnen waar een financieel hulpprogramma ter waarde van drie miljard gulden op de agenda staat.

Dat voor Servië immense bedrag kan Belgrado dankzij de overdracht van Miloševic nu tegemoet zien. Alle Westerse leiders hebben positief gereageerd op de actie van Djindjic. Of de Servische premier daarvoor in eigen land een hoge prijs moet betalen, is vooralsnog onduidelijk. Door Koštunica en de Montenegrijnse regeringspartij opzichtig te passeren, heeft hij een tijdbom gelegd onder de Joegoslavische federatie. Hoewel die federatie niet veel meer om het lijf heeft, wil hetzelfde Westen toch niet graag dat ze implodeert.

NIET MINDER BELANGRIJK zijn de repercussies in Servië zelf. Het is een illusie te denken dat met de uitlevering de radicaal-nationalistische sentimenten, waaraan Miloševic tien jaar lang ten dele zijn macht ontleende, nu spoorslags zijn geëlimineerd. De vraag is wel of en hoe die zich zullen manifesteren. President Koštunica, die zichzelf `gematigd nationalist' noemt en bovendien het aureool heeft van de man die slaagde waar de rest van de oppositie tegen Miloševic steeds faalde, uitte gisteravond bittere verwijten jegens Djindjic. Tegelijkertijd riep hij echter op het hoofd ,,koel' te houden. Hij wekte daarmee de indruk het politieke conflict, dat zich aandient, in banen te willen houden. Bovendien heeft ook de Servische politieke cultuur de neiging naar de macht toe te trekken om de macht zelve. Djindjic heeft gisteren getoond dat hij niet bang is voor machtsuitoefening. Dat zou hem wel eens steun kunnen opleveren van burgers die hem er tot nu toe van verdachten dat hij zijn oren naar de

NAVO liet hangen. Maar dan moet hij op langere termijn daadwerkelijk leveren, wat hij met Westers geld beloofd heeft te gaan doen.