Mijn Vader

Mijn vader geboren in 1903 bouwde een kippenhok. Het was geen gewoon kippenhok, het was een Italiaanse kippenvilla. Avond aan avond zat hij in de huiskamer achter zijn bestek. Geen mes, lepel en vork. Dat heet ook bestek. Dit was een tekenbord met een nauwkeurige beschrijving van de maten en de materialen van het kippenhok. Soms zag je hem zachtjes prevelen, dan zat hij te rekenen. Hij likte aan zijn timmermanspotlood en deed het daarna achter zijn oor om het niet kwijt te raken. Wij mochten meekijken en zijn sigaar aansteken die telkens uitging. Eindelijk was het klaar en de volgende dag ging hij bouwen.

Het werd een prachtig witgeverfd huisje van kleine baksteentjes. Een puntdak en veel halfronde raampjes met een erker waar de kippen in gingen zitten om naar buiten te kijken. Een houten deurtje dat we vaak opendeden om te kijken hoe de kippen gezellig in hun nachthok zaten. Maar de ren was het allermooiste. Mijn vader maakte van kapotte tegeltjes gekleurde mozaïeken op de grond, daaromheen wat zand, dan kreeg je weer een struikje en dan weer een andere stervormige mozaïek. Soms gooide hij nieuwe tegeltjes kapot om er weer andere kleuren in te metselen. Wij vonden dat de kippen veel mooier woonden dan wij. Een keer gingen we knus tussen de kippen op onze knieën achter het gaas in de ren zitten. Je hoorde de regen tikken op het dak. Mijn vader deed het deurtje op slot, ging fietsen en vergat ons de hele middag.