Meedogenloze moraal

Er zijn waarschijnlijk weinig volkeren die de afgelopen eeuw meer reden hebben gehad hun doden te betreuren dan de Russen. Geen enkel volk, met uitzondering van de Chinezen wellicht, heeft zozeer geleden onder politiek geweld, maar is zo weinig gelegenheid gegund om zijn doden op eigen en gepaste wijze te herdenken als de Russen (en hun `kleine broeders' in het voormalige Sovjet-imperium).

Meer dan vijftig miljoen zijn er in de Grote Europese Burgeroorlog van de twintigste eeuw ten prooi gevallen aan geweld, hongersnoden en epidemieën - alle in meer of mindere mate politiek geïnspireerd. Ons ligt het woord `trauma' op de lippen bestorven. De Russen heb ik er nog nooit over horen spreken. Voor het tachtigjarige vrouwtje dat nu bij de ingang van de metro in Moskou moet bedelen om haar schamele staatspensioen, als daar al sprake van is, aan te vullen, zal het een luxeprobleem zijn. De meeste Russen hadden en hebben helemaal geen gelegenheid voor trauma's. Ze zijn de langste tijd van hun leven in de weer geweest om honger, kou en andere fysieke ongemakken van het lijf te houden.

De historicus Catherine Merridale heeft een boek geschreven over dood en herinnering in de moderne Russische geschiedenis: Night of stone. Erger dan het lijden was wellicht de voortdurende ontkenning, de verdonkeremaning van de dood. Communisme was optimisme, vooruitgang, levenskracht. Hier paste geen individuele droefenis en verdriet. Zelfs 's lands bekendste dode leefde voort. Zoals Majakovski dichtte: `Lenin leefde; Lenin leeft; Lenin zal leven!' De voormalige Sovjet-leider, overleden en gebalsemd in 1924, was dan ook één van de eersten die eind 1941, toen de Duitse legers voor de poorten van Moskou stonden, toestemming kregen de stad te verlaten.

Night and stone gaat over de wijze waarop de Russen de afgelopen eeuw met de politieke dood zijn omgesprongen. Hoe ze tegen de klippen op, vaak stiekem en in het geniep de herinnering aan hun dierbaren levend probeerden te houden - als de Russen hun verdriet al mochten uiten anders dan met z'n allen, onder regie van de staat (dezelfde staat die een groot deel van de ellende had aangericht).

De Eerste Wereldoorlog kostte een kleine twee miljoen Russen het leven. Alleen Duitsland had meer doden te betreuren. Het was niet onze oorlog moeten de bolsjewieken hebben gedacht, want in het hele land is geen enkel monument te vinden voor de Russen die tussen 1914 en 1917 stierven op de slagvelden van oostelijk Europa. De Tweede Wereldoorlog is een heel ander verhaal. In de voormalige Sovjet-Unie struikel je over de beeldengroepen, de eeuwige vlammen en de obelisken die de herinnering aan de overwinning op nazi-Duitsland levend moeten houden. Ze verbeelden echter vooral de mythen van de oorlog.

Heroïek

Vanaf het begin van de jaren zestig is de Grote Vaderlandse Oorlog het kernstuk van het Sovjet-nationalisme. Het was altijd een kwestie geweest van heroïek, van krijgshaftigheid, van doorzettingsvermogen en van opoffering. De Sovjet-Unie kende bij wijze van spreken wel 5 mei, maar niet 4 mei. Er is altijd gelogen en verzwegen: de honderdduizenden soldaten die onnodig in de handen van de Duitsers vielen en crepeerden in concentratiekampen te velde; de joden die werden uitgeroeid en vergeten, de 1.929.729 gevangenen die op 1 januari 1941 stonden geregistreerd in de Goelag (aanzienlijk meer dan in de jaren daarvoor). Als de vrouwen van Rusland treurden om de mannen en zonen die geen officiële heldendood stierven, dan deden ze dat onder elkaar, thuis.

Deze `cultuur van de ontkenning', zoals Merridale het zwijgen van staatswege typeert, was absurd en wreed. Boeren die tijdens de hongersnood in het begin van de jaren dertig met opgezwollen buik bij de dorpssovjet om hulp aanklopten, werden weggestuurd met de mededeling dat ze het brood maar moesten opeten dat ze hadden verstopt. Er was helemaal geen hongersnood. De weduwen van de soldaten die in krijgsgevangenschap waren overleden, kregen geen uitkering. De dood van hun mannen werd gewoon ontkend. En ook de talloze politieke gevangen die na het verscheiden van Stalin terugkeerden uit de Goelag, deden er maar beter het zwijgen toe. Vrijlating betekende lang niet altijd rehabilitatie. De Communistische Partij was bang voor de mogelijke politieke gevolgen van de destalinisatie en veel Russen susten hun kwade geweten met de overtuiging dat er geen rook is zonder vuur. Iemand werd niet voor niets naar de Goelag gestuurd.

Het Stalinisme was een genocide op eigen volk. De scheidslijnen tussen `slachtoffer' en `dader', tussen goed en kwaad waren vaag - vager dikwijls dan in het geval van het nationaal-socialisme. Iedereen had reden de nachtelijke klop op de deur te vrezen. Hier regeerde de democratie van de angst. Hitler was uiteindelijk vooral ondergang, nederlaag en bezetting. De onverbiddelijke cesuur van mei 1945 verschafte de Bondsrepubliek een belangrijk deel van haar legitimiteit. Stalin daarentegen was opbouw, overwinning, macht en aanzien. Alle communistische leiders worstelden met de erfenis die Stalin hen had nagelaten, maar niemand kon het zich permitteren diens 'verworvenheden' geheel terzijde te schuiven. Ze bouwden voort op de politieke orde die Stalin had gebouwd. Vrijwel alle slachtoffers van de Duitse terreur kregen een stem, een gezicht, een nationale geschiedschrijving en herinnering. Maar wie nam het op voor de Russische boeren? De Russen hebben niet alleen decennialang hun verdriet verborgen, maar ook hun schaamte.

Eigendunk

Merridale zoekt de verklaring voor de uitzonderlijke wreedheid van het Stalinistische despotisme in de beide interpretaties die het historische debat al decennialang domineren: de Russische traditie enerzijds en de marxistische ideologie anderzijds. Ze raakt even de vermeende Russische volksaard en traditie: de `ruwe morele codes' van het boerenleven; de erfenis van de Mongoolse overheersing; de vloek van het onherbergzame klimaat en het uitzonderlijke uithoudings- en incasseringsvermogen. Ze komt er niet ver mee, hoewel de meeste Russen die ze sprak er zeker van zijn dat hierin de verklaring moet worden gezocht.

Ideologische bevlogenheid en eigendunk hebben een belangrijke rol gespeeld. Merridale haalt Feliks Dzerzjinksi aan, de eerste chef van de communistische veiligheidsdienst: 'Ons leven sluit emotie uit, en wee degene die de kracht mist om zijn gevoelens de baas te zijn.' Terreur behoefde weinig rechtvaardiging. Meedogenloosheid was deel van de nieuwe moraliteit. Het collectief was alles. Het individu riep vooral wantrouwen op. Uiteindelijk geeft Night of stone, niettegenstaande de aanzienlijke omvang van het boek, geen overtuigende verklaring voor de uitzonderlijke politieke terreur in Rusland en voor het bizarre zwijgen dat erop volgde. Anders geformuleerd: analytisch is het nogal zwak. Het blijft bij flarden - typerend wellicht voor de herinneringen van de overlevenden, maar teleurstellend voor de lezer.

Catherine Merridale: Night of stone. Death and memory in Russia. Granta Books, 506 blz. ƒ102,–

Oost-Europa