Kuchen verboden!

Het publiek is bij concerten altijd muisstil. Cas Smithuijsen onderzocht de beklemmende stilte van concertgangers.

Cas Smithuijsen, muzieksocioloog, heeft een nieuw woord gevonden. Zaalangst. Het staat in het proefschrift dat hij schreef over gedragsregels in de concertzaal. Mensen die zaalangst hebben, schrijft Smithuijsen, houden veel van klassieke muziek, maar durven toch niet naar een concert. Ze weten dat ze in de zaal niet mogen bewegen, praten, hoesten of telefoneren, dat ze minstens een uur lang stil op een stoel moeten kunnen zitten zonder naar de buren te kijken of te ritselen met het programma. En ze zijn bang dat ze dat niet kunnen. Ze zijn `slachtoffer van een specifiek aan de concertante setting gebonden irreële angst', schrijft Smithuijsen. Zijn proefschrift heet Een verbazende stilte. Hij is er op gepromoveerd bij Johan Goudsblom, hoogleraar aan de faculteit maatschappij- en gedragswetenschappen van de Universiteit van Amsterdam.

Uit een niet wetenschappelijk verantwoorde rondgang langs speciaal voor dit verhaal uitgezochte mensen is duidelijk geworden dat de zaalangstigen te verdelen zijn in type A dat plaatsvervangend bang is voor de man of vrouw op het podium en in type B dat zich vooral verzet.

Smithuijsen, zelf type A: ,,Ik ben als de dood dat er fouten worden gemaakt. Voor de solist is dat zo erg dat ik me er bij voorbaat ellendig van voel.' Dit type is vooral te vinden onder mensen die zelf muziek maken. Smithuijsen speelt piano en klavecimbel. Hij is ook directeur van de Boekmanstichting, een studiecentrum voor onderzoek naar kunst, cultuur en beleid.

Een voorbeeld van het B-type: Janneke Tigchelaar. Een goed geklede Amsterdamse van in de vijftig, ad interim zakelijk leidster van Cosmic, een theater voor allochtone toneelmakers in de Nes in Amsterdam. Vroeger werkte ze voor Kunstweb en Amnesty International. Ze is opgeleid tot lerares beeldende vorming, ze heeft onderzoek gedaan naar kledingcodes. Ze speelde als kind piano, ze ging met haar ouders vaak mee naar concerten. Ze zou, met deze kenmerken, een modelbezoekster van het Concertgebouw moeten zijn. Misschien niet van de ijzeren-repertoireseries op de donderdagavond, maar zeker wel van de series met Ligeti en Kurtág. Maar Janneke Tigchelaar, dochter van een schooldecaan uit Drenthe, gaat bijna nooit meer naar het Concertgebouw. Het eerste wat ze, door de telefoon, zegt is dit: ,,Je mag alleen weg als je een acute bloeding krijgt en dan moet het bloed ook nog over je buurvrouw lopen. En zij moet daar last van hebben.' Dat is natuurlijk overdreven. De volgende dag zegt ze: ,,Ik vind Mozart prachtig hoor, echt fantastisch. Maar de gewijde sfeer eromheen maakt alles dood. Dit is goed, hier moeten we voor bidden. We wonen in een groot huis, we hadden een tijd twee conservatoriumstudenten bij ons op kamers wonen. Een van hen zei: waarom draai jij flamencomuziek? Dat is toch primitief. Ik zeg: en jij dan? Jij doet niks anders dan meedoen aan de wedstrijd om steeds hetzelfde nog beter weer te geven. Jij haalt de hele dag oude lijken uit de kast.' Ze lacht. ,,Ach nou ja, dat was van mij ook een beetje fundamentalistisch. Pas jij maar op jongetje! Maar ik kan er niet tegen dat het een bij voorbaat als iets hogers wordt gezien dan het ander.' Ze moppert: ,,Je mag niet eens een boek pakken als het saai is. Je móet na afloop opspringen en ovationeel applaudisseren.' Ze heeft een advies voor de directie van het Concertgebouw: ,,Of ze halen om en om rijen stoelen weg zodat de rollators van het publiek er straks tussen kunnen. Of ze halen alle stoelen weg en laten obers rondgaan met drank. Dan heb ik er wel weer zin in.'

Pratende musici

Waarom gedragen musici en luisteraars zich in de concertzaal zoals ze zich gedragen? We zijn eraan gewend, zoals we gewend zijn aan stropdassen en eten met rechts een mes en links vork. Maar er was een tijd dat we met de handen aten heel sjiek! Er was ook een tijd, Smithuijsen beschrijft dat in zijn boek, dat musici elkaar moesten bijbrengen om zich bij het spelen behoorlijk te gedragen. Bij de oprichting van het collegium musicum in het Zwitserse Sankt Gallen, in 1621, werden de volgende regels vastgelegd: op tijd komen, niet zomaar wegblijven, jassen uitdoen, met toewijding spelen, geen collega's aan het lachen maken. En: geen collega's slaan, `onverschillig met welk voorwerp'. Wie het toch deed, kreeg een boete. In Praag werden rond die tijd maatregelen genomen tegen gepraat van musici. Om het goed te maken, kwamen er pauzes. Maar dan mocht er niet over politiek of theologie worden gesproken.

Collegia musica, muziekgezelschappen, waren er in heel Europa vanaf het begin van de zeventiende eeuw. Er zaten burgers in, geen hofmuzikanten, geen geestelijken. Ze speelden voor hun plezier, zonder publiek. Ze probeerden de Griekse filosofen na te doen: samen in verheven sferen verkeren. Later, vanaf de achttiende eeuw, werden die collegia musica professioneler. Mensen mochten komen luisteren. Eerst in kleine groepjes en alleen als ze verstand van muziek hadden. Daarna werden het er steeds meer. Ze moesten gaan betalen. En ze moesten zich net zo netjes gedragen als de musici. Geen drank en tabak. Geen kaartspel. Geen mannen die vrouwen meenamen, of andersom. In Utrecht kregen alle leden van het collegium musicum een sleutel van de concertzaal, zodat de `belhamels' met hun `geraas en handengeklap' konden worden buitengesloten.

Vanaf de tweede helft van de twintigste eeuw, schrijft Smithuijsen, zijn de regels in de concertzaal zo streng geworden dat eigenlijk alleen hoogopgeleide en muzikaal onderlegde liefhebbers zin hebben om naar klassieke concerten te gaan. Musici hoeven elkaar allang niet meer te disciplineren en ook niet hun luisteraars. Nu disciplineren luisteraars elkaar. Smithuijsen citeert de columniste Inez van Eijk die in 1991 het gedrag van een vrouw schuin voor haar in het Concertgebouw belachelijk maakt: ,,Tijdens de uitvoering schudt ze haar coupe soleil, rinkelt met haar sieraden, kletst rechts, kletst links, ritselt met het programma, giechelt, helt sterk over om iemand te zien en bekijkt met gestrekte arm haar nagels.'

De meester hoeft niks meer te zeggen, de leerlingen zijn uit zichzelf braaf. Vreemd eigenlijk, schrijft Smithuijsen. Mensen zijn de laatste decennia veel informeler geworden. Maar hij heeft er een verklaring voor. Mensen onderscheiden zich niet meer door de klasse waar ze bij horen. Ze onderscheiden zich door te laten zien dat ze weten hoe ze zich in verschillende situaties moeten gedragen. Juichen in het voetbalstadion, zwijgen in de concertzaal. Alleen mensen die het niet weten, of niet kunnen, worden onzeker. Of krijgen zaalangst.

En dan zijn er ook nog mensen die het niet wíllen weten. Dan zijn we weer bij de zaalangstigen type B. Hoeveel het er zijn, weet Smithuijsen niet, het laat zich lastig onderzoeken.

Distinctiedrang

Maar onder zijn vrienden en kennissen kent hij er tientallen. Arend Jan Heerma van Voss, hoofdredacteur van de VPRO-radio, is er één van. Hij begint ook meteen door de telefoon: ,,Ik zie ze 's avonds om tien voor acht naar het Concertgebouw lopen. Ze zijn op straat al bezig met het uitstralen van hun burgerlijke volmaaktheid, van hun drang tot distinctie.' Een paar dagen later begint hij met kritiek op zichzelf. ,,Misschien is wat ik zeg rancuneus gepruttel van iemand die niet uit die laag van de gegoede burgerij komt.' En: ,,Als jij kaartjes hebt voor een bijzondere voetbalwedstrijd, loop je ook met verende tred over straat.' Hij probeert zijn ergernis als verbazing te presenteren: ,,Dat massaal willen beleven van de totale contactloosheid, dat is toch intrigerend.' Dan laat hij zich toch gaan: ,,Die bevroren stilte, die zenuwslopende stilte. Het ergste gedrag dat er bestaat. Die beledigde hoofden, die ontzette frons als er iemand hoest. Weg! Weg! En dan dat verschrikkelijk spontane jubelgeluid na afloop.' Hij doet het zachtjes voor, ahh, ahh, zijn handen klappend boven zijn hoofd. ,,Het voorgeschreven onbeheerste geluid van de echte liefhebber.'

Moet het anders? Martijn Sanders, directeur van het Concertgebouw, vindt dat onzin. De volmaakte stilte, `zonder tikkende horloges', is de beste manier om naar muziek te luisteren, zegt hij. Hij ergert zich dood aan mensen die midden in een concert opgebeld worden en dan ook nog zeggen `dat ze bereikbaar moeten zijn'. Het kan best zijn, zegt Sanders, dat een steeds kleinere elite zich tot klassieke concerten voelt aangetrokken, maar hij merkt er niets van. Kent hij mensen met zaalangst? ,,Wij zien ze niet. Maar wij vragen er ook niet naar.'

Jan Willem Loot, directeur van het Concertgebouworkest, ziet zijn publiek ook niet kleiner of ouder worden. De standaardovaties na afloop vindt hij vervelend en nette kleren hoeven niet, wat hem betreft. Maar de stilte mag dieper worden. ,,Een weg terug zie ik niet. Het niveau van musiceren wordt hoger. Dat vraagt van de luisteraar meer concentratie.' Loot kent ook geen mensen met zaalangst.

Cas Smithuijsen: ,,Natuurlijk moet het stil zijn. András Schiff komt echt niet als er met bestek en glaswerk wordt gerommeld. Overal is klassieke muziek, maar er is maar één plaats waar je er onversneden naar kunt luisteren en dat is de concertzaal.'

Wat hem stoort is de `monocultuur'. Hij heeft het onderzocht: meer dan de helft van de mensen neemt regelmatig vrienden of kennissen mee, `soort zoekt soort'. Hij vindt dat het Concertgebouw steeds meer op een laboratorium begint te lijken, de `gouden standaard'. Hij vindt het zonde als mensen die niet hoog zijn opgeleid, niet veel verdienen en niet weten hoe ze zich moeten gedragen nooit meer naar een klassiek concert gaan. Maar hij weet er wat op. Het Amsterdamse Museumplein was vol toen het Concertgebouworkest er begin juni Rostropovitsj speelde. Dus? Smithuijsen: ,,Een tuin achter het Concertgebouw. Vroeger was die er.'

Cas Smithuijsen: `Een verbazende stilte. Klassieke muziek, gedragsregels en sociale controle in de concertzaal'. Prijs ƒ33,- via de Boekmanstichting, Herengracht 415, 1017 BP Amsterdam. In september verschijnt de publieksversie: `Stilte!' (Uitg. Podium, ƒ32,50).`Misschien is wat ik zeg rancuneus gepruttel'