Koop Nederlandse waar

Piet Pelle en zijn Gazelle. Generaties zijn ermee opgegroeid. In het winkelcentrum naast de monumentale fabriek van Gazelle Rijwielfabriek in het Gelderse Dieren staat een standbeeld van de inmiddels 89-jarige stripfiguur. Afgaand op het marktaandeel van Gazelle van zo'n 25 procent is een deel van de lezertjes van vroeger Piet Pelle trouw gebleven.

Gazelle is een bedrijf met zo'n oer-Hollandse imago en een oer-Hollands gebruiksvoorwerp. Sinds Juliana als koningin werd gefotografeerd op een fiets staat het koningshuis in de Engelssprekende wereld bekend als de bicyling monarchy, typerend voor een informele stijl van regeren, wars van dikdoenerij, precies zoals Nederland ook zichzelf graag ziet.

Dit Oranje-gevoel werd vorige week aangedikt door het nieuws dat Gazelle weer in Nederlandse handen komt. Gilde, ook zo'n oer-Hollandse naam, is gelieerd aan de coöperatieve Rabobank en steekt geld in veelbelovende bedrijven. Gilde koopt het complete bedrijf voor ruim 300 miljoen euro.

Wat Gilde er over een paar jaar mee moet, als de financier zelf winst wil maken op zijn aankoop, is onduidelijk. Directeur K. Dantuma van Gazelle wil op termijn wel naar de effectenbeurs, maar het is de vraag of vooral de professionele beleggers, die een beurskoers maken of breken, zitten te wachten op nog een fietsenfabriek, naast Accell.

Kleine en middelgrote ondernemingen mijden liever de beurs. Grote beleggers hebben voor hen weinig belangstelling. Nieuwe beursregels zullen de verhandelbaarheid van de aandelen reduceren of jagen de onderneming op extra kosten. Beurzen die zelf naar de beurs gaan letten niet meer op de kleintjes.

Gilde's overname van het industriële icoontje uit Dieren is een tegendraadse daad. De trend is juist dat industriële kopstukken worden verkocht aan buitenlandse concurrenten. Van Douwe Egberts tot Daf, van energieproducenten tot lokale kabelbedrijven.

De hamvraag is: valt KPN binnenkort ook in buitenlandse handen. KPN is niet alleen een van de grote particuliere werkgevers, maar ook symbool van de links-liberale privatiseringsdrang in de jaren negentig en van het daarmee verweven volkskapitalisme. De ambitie die KPN deze week uitsprak om actief deel te nemen aan de consolidatie in de sector preludeert op verkoop, een krachtenbundeling in deelmarkten of een volledige bedrijfsfusie.

Met haar vertrouwde opgeruimd-staat-netjes opvattingen heeft minister Jorritsma (VVD, Economische Zaken) al duidelijk gemaakt dat een buitenlandse overname voor haar geen enkel probleem is. Niet dat zij eerstverantwoordelijk is voor de relaties met KPN. De regie moet in handen zijn van Verkeer en Waterstaat, die vroeger ,,eigenaar'' was van de PTT, en van Financiën, de hoeder van de schatkist.

De nationaliteit van de eigenaar van gezichtbepalende ondernemingen speelt in het bedrijfsleven en in de Haagse politiek nauwelijks een rol. De meeste topmanagers zijn, in elk geval in werktijd, pleitbezorgers van de mondialisering van goederen- en geldstromen die met nationale sentimenten geen rekening houdt of ze aan financiële belangen, zoals de waarde voor aandeelhouders, ondergeschikt maakt.

In Den Haag preken weinigen voor de nationale parochie. Typerend is de opvatting die W. Bos, toen PvdA-kamerlid, nu staatssecretaris op Financiën, twee jaar geleden te berde bracht. De discussie over uitverkoop van de nationale industrie betitelde hij als een ,,fuik die ons niet veel verder brengt.''

Uit onverwachte hoek kregen het kabinet en met name minister Jorritsma vorige week echter het dringende advies zich ,,serieus te bezinnen'' over de ,,wezenlijke vraag'' of zij nationale kampioenen willen steunen of willen doorgaan met de uitverkoop.

P. Winsemius, oud-minister (VROM), tegenwoordig bij de internationale adviesfirma McKinsey, die die je toch bezwaarlijk als tegenstander van globalisering kunt beschouwen, werpt in een rapport voor Jorritsma over de beleidsagenda van de 21-ste eeuw een serie vragen op. Over het Oranje-gevoel. Over het belang van Nederlandse topondernemingen voor Nederland. En over de vraag of krachtenbundeling achter de Nederlandse dijken geen betere concurrentiekracht in Europa en de wereld oplevert.

Het idee dat de belangen van de consument gediend zijn met mededinging, toevallig ook een argument van Bos indertijd, en dat nationale monopolisten derhalve niet gesteund moeten worden, noemt Winsemius een ,,eenzijdig antwoord'' dat ,,op een aantal terreinen tekort schiet''. De burger heeft niet alleen als consument belangen, stelt hij vast, maar ook als werknemer en belegger.

Lijdt een natie onder de uitverkoop van nationale bedrijven? Wie zo nu en dan de wrevel in België daarvoor hoort, zou zeggen van wel. De Nederlandse politieke partijen moeten er over nadenken. Of Leefbaar Nederland gaat ermee aan de haal.