Inventief puntdichter

Kees Stip, de beste puntdichter van Nederland, is gisteren overleden in een ziekenhuis in Winschoten. Hij was 87 jaar. Op zijn naam – en op die van zijn alter ego Trijntje Fop – staan duizenden vormvaste versjes die getuigen van zijn fabelachtige taalraffinement. Decennia lang schreef hij aan zijn oeuvre met journalistieke discipline, omdat er elke dag een versje in de krant moest staan. Maar ook toen dat niet meer hoefde, bleef zijn geest de ene na de andere inval produceren. Filosofischer dan vroeger, maar onverminderd inventief en strak in het metrum. ,,Geen ooit puntiger dan Stip,'' schreef Willem Wilmink eens.

Kees Stip studeerde klassieke letteren en wilde daarin doorgaan. Tijdens de oorlog maakte hij, aanvankelijk om zichzelf te vermaken en zijn techniek te testen, een treffende parodie op het ietwat pompeuze Maria Lecina van J.W.F. Weremeus Buning. ,,Honderd klokken in Londen doen Londen bonzen / en vier kathedralen Genua'' veranderde zodoende in: ,,Honderd stieren in Dieren doen Dieren tieren / en tweehonderd wolven Wolvega.'' In gestencilde vorm deed het verhalende vers Dieuwertje Diekema in heel Nederland de ronde, alsof het een clandestien pamflet was. Het werd Stips meesterproef.

Na de oorlog was hij redactielid van het Polygoon-bioscoopjournaal, waarvoor hij jarenlang ook het woordspelige jaaroverzicht maakte. Daarnaast schreef hij scenario's voor RVD-voorlichtingsfilms, waaronder het propagandistische Wij leven vrij (1951), komische radioteksten en speelse reclamecampagnes op rijm. Trijntje Fop begon in 1951 in de Volkskrant, verhuisde later naar Elseviers Weekblad en bleef tot 1981 dagelijks in de GPD-kranten verschijnen. En al die tijd was het procédé onveranderd: een dier, een plaatsnaam en een verrassende taalvondst in de laatste regel:

Dit weekend ging een groepje maden

in Scheveningen pootje baden

De welbespraaktste van het stel

sprak: ,,Makkers, merken jullie wel?

Er zijn hier heel wat maden bij

die made zijn in Germanij''

Veel van die versjes bleven letterlijk in het geheugen van zijn lezers hangen, zo onwrikbaar zitten ze in elkaar. Een ander vers (,,In Siddeburen was een bok / die machtsverhief en worteltrok...'') werd dermate bekend, dat in de genoemde gemeente zelfs een beeldje van een bok is geplaatst.

Eind jaren tachtig schreef Kees Stip nog een groot aantal actuele versjes op de Achterpagina van deze krant. Ze waren vaak politiek geëngageerd en gaven blijk van zijn onwankelbare ongeloof. Maar door zijn virtuoze formuleringen bleef hij licht van toon, ook als hij onmiskenbaar boos was. In de melancholieke sonnetten die hij op hoge leeftijd publiceerde in de bundel Au! De rozen bloeien, kon hij ook zonder woordspelingen zeggen wat hij te zeggen had. De heldere eenvoud van een paar rake regels was hem nu genoeg: ,,Geluk, dat waren alle dagen / dat ik op het geluk heb mogen jagen.''