Gerechtigheid gedijt niet in armoe

De onverwacht snelle overdracht van de voormalige Joegoslavische president Slobodan Miloševic aan het Joegoslavië-tribunaal in Den Haag wordt rechtstreeks in verband gebracht met de donorconferentie in Brussel, die vandaag begint. Dat er een onverbrekelijke relatie bestaat tussen mensenrechten en economie staat volgens Raúl Alfonsin vast.

Is er nog gerechtigheid? Overal worstelen mensen ermee dat het ene land anders omgaat met gruwelijke, systematische schendingen van de mensenrechten dan het andere. Maar al mogen er dan verschillen zijn, de ethische beginselen waarnaar bij de wederopbouw van de democratie mensenrechtenschendingen uit het verleden moeten worden beoordeeld, zijn overal gelijk.

Het is geen eenvoudige opgave een democratie te bouwen op het fundament van een door overheidsgeweld geteisterde politieke cultuur en maatschappelijke habitus. De moeilijkheden worden nog vele malen groter wanneer er tegelijkertijd een economische crisis heerst. Ik kan begrip opbrengen voor de neiging de straffen voor het schenden van mensenrechten beperkt te houden, om zo de samenleving een kans te bieden op herstel en wederopbouw. Want beleidsmatige bestraffing van systematische misdaden tegen de menselijkheid is moreel alleen te rechtvaardigen met het doel de samenleving voor groter toekomstig kwaad te behoeden.

Misdaden tegen de menselijkheid worden, ook als ze met steun van overheden worden bedreven, begaan door individuen die hun eigen wil volgen. Het streven om zulke mensen te bestraffen brengt reële sociale gevolgen mee. Het is niet verstandig om zulke straffen op te leggen als ze geen toekomstige misdaden helpen voorkomen, maar mogelijk juist grotere of nieuwe schade aan de samenleving in de hand zullen werken of veroorzaken. Per slot van rekening is straf een werktuig – niet het enige, noch het belangrijkste – om door dictatuur geteisterde samenlevingen weer een collectief moreel geweten te verschaffen.

Belangrijker dan straf is naar mijn mening dat de waarheid op geloofwaardige wijze aan het licht wordt gebracht, bijvoorbeeld door middel van een onpartijdige rechtszaak. Door zulke onthullingen kan over de schuldigen een `moreel vonnis' worden geveld. Het bestaan van zo'n `vonnis' zal in de gemeenschap het soort diepe bezinning opwekken dat noodzakelijk is voor het herstel van de democratie. Er is geen betere waarborg voor de handhaving van de mensenrechten denkbaar dan een verhoogd collectief moreel bewustzijn in de samenleving, dat voor ieders waardigheid opkomt. Nationale wetten en internationale onderzoeken zijn, voorzover ze een dergelijk bewustzijn bevorderen, waardevolle instrumenten om die rechten te beschermen, maar zo'n bewustzijn blijft een fundamentele waarborg, die zij niet kunnen vervangen.

In democratische stelsels kan dit morele bewustzijn slechts tot ontwikkeling komen als de bevolking vertrouwen heeft in de onafhankelijkheid van de rechters. Tijdens de overgang van een dictatuur naar een democratie ontbreekt het de rechterlijke macht aan legitimiteit. Het vertrouwen van de samenleving in de rechterlijke macht te herstellen, is in zo'n overgangsperiode dan ook een van de belangrijkste opgaven van democratisch gekozen functionarissen. Bij de benoeming van onafhankelijke rechters moet al het mogelijke worden gedaan om te bevorderen dat de rechterlijke macht de samenleving het vertrouwen inboezemt dat een overgang naar de democratie mogelijk is.

Maar als in brede maatschappelijke kring de indruk ontstaat dat de rechters niet bij machte zijn om hetzij de rechten van het individu, hetzij de scheiding tussen wetgevende, uitvoerende en rechterlijke macht te behoeden en te waarborgen, dan kan dat gebrek aan vertrouwen ontwrichtende gevolgen krijgen voor de samenleving.

Het verschijnsel dat een samenleving zich allengs minder goed weet te beschermen, dat haar morele normen afkalven, is een vrijwel ondoorgrondelijk proces. Maar wanneer een samenleving besluit om schenders van de mensenrechten niet te straffen, is dat niet noodzakelijkerwijs een teken van een onderontwikkeld moreel bewustzijn. Vergelding is niet het enige blijk van herstelde morele vitaliteit.

Moreel besef is essentieel voor een waarlijk solidaire democratie. Om het moreel besef tot stand te brengen dat slechts kan voortkomen uit maatschappelijke solidariteit, is bovendien een duidelijk geheel van sociale rechten nodig. Wanneer ook de economische en sociale aspecten van de mensenrechten worden ontwikkeld, draagt dit ertoe bij dat alle mensenrechten als een onwrikbare waarheid worden gevestigd.

Om kort te gaan: een democratie kan alleen worden opgebouwd door mannen en vrouwen die in alle opzichten democraten zijn. Deze evidente waarheid wordt vaak vergeten. Monarchieën kunnen bestaan ondanks de aanwezigheid van antimonarchisten. Het fascisme en het Sovjet-communisme waren gebouwd op de ruggen van onwillige mensen. Maar democratieën die gebouwd zijn op weerspannige grondslagen, kunnen niet standhouden. Voor democraten is vrijheidsliefde niet genoeg.

Dat wij dit niet inzien, is het grote tekort van ons democratisch bewustzijn. De gewoonte om de universele rechten van de mens te beperken tot een reeks politieke en morele rechten, en intussen de economische aspecten van de menselijkheid naar een tweede, lager plan te verwijzen, is gevaarlijk. Willen de mensenrechten werkelijk worden veiliggesteld, dan moet het tweede, economische plan van de mensenrechten in ons bewustzijn gelijkwaardig worden aan het eerste. Pas dan zal een adequate reactie volgen op de misdaden uit het verleden, en dat is niet in de eerste plaats bestraffing, maar de zekerheid dat zulke misdaden niet nogmaals zullen worden gepleegd. Nooit weer: dat is voor de slachtoffers uit het verleden onze waarachtigste ereschuld.

Raúl Alfonsin was president van Argentinië van 1983 tot 1989.

©Project Syndicate.