Dichters denken niet 2

De waarschuwing van Doorman dat dichters niet moeten proberen iets filosofisch te zeggen is, denk ik, grotendeels terecht. Het geforceerd uitdrukken van een filosofische gedachtengang in een gedicht, of iets poëtisch willen verkopen als filosofie, is niet prijzenswaardig. De meeste mantra's van de populaire consumptie-filosofie vallen tussen de wal van de poëzie en het schip van de filosofie. Toch betekent dat niet dat we een strikte grens kunnen trekken tussen poëzie en filosofie. Doormans argument dat een gedicht toont, en niet beweert, perkt de poëzie te ver in: gedichten moeten juist kunnen spelen met beweringen. Is de taal niet de grond van ons geestelijk bestaan, waarin we geworpen zijn en waarmee we het zullen moeten doen? De grammaticale structuur van de Griekse taal maakte ooit het ontkiemen van `onze' wijsbegeerte mogeljik, en het zijn de dichters die een taal levend houden en behouden:

`Een dichter hoedt/ het heiligdom van de taal/ de kiemen van zijn begrijpen/ knoppen later duizendmaal.' Hoe speelt de dichter dat klaar? Door gebruik te maken van de fundamentele dubbelzinnigheid die nu eenmaal bij taal hoort. Maar wat anders dan de poëzie met haar vitale ambiguë uitingen kan ons leren wat dubbelzinnigheid is, en dus ook: wat anders dan de poëzie kan ons leren dat er zoiets bestaat als ondubbelzinnig redeneren? Daarom kunnen we poëtische filosofie niet bij voorbaat als inadequaat terzijde schuiven. Er bestaat een grens tussen filosofie en poëzie, maar ieder gedicht en iedere gedachte vertekent die grens. We hoeven niemand in brand te steken, maar al te vurige neo-scholastici zouden een emmer koel, poëtisch bluswater kunnen gebruiken.

Lezers die willen reageren op de inhoud van de bijlage Boeken kunnen hun brieven (max. 300 woorden) zenden aan: Redactie Boeken,

NRC Handelsblad, Herengracht 545-549, 1017 BW Amsterdam. De redactie behoudt zich het recht voor brieven in te korten.

Redactie