Dichters denken niet 1

Maarten Doorman betreurt het openlijke flirten van poëzie en filosofie (Boeken, 22.6.01). Het levert slechte poëzie op: abstract en zweverig. En het levert slechte filosofie op: concreet, suggestief, inconsistent. Zulke filosofie kan maar beter de prullenmand in, volgens Doorman. Want filosofie moet redeneren met abstracte begrippen, in plaats van net als poëzie iets te tonen en onze verbeelding op gang te brengen. Maar als we die redenering volgen, kunnen we bijvoorbeeld een belangrijk deel van Plato's filosofie aan de versnipperaar meegeven, inclusief poëtische hoogstandjes als het Symposium. Was dat nu werkelijk Doormans bedoeling?

Bovendien tóónt zijn redenering ook wel iets, namelijk de analytische filosofie-opvatting van de academische specialist. Het Symposium gaat nu net over de beperktheid van zo'n opvatting. Het laat zien dat specialisten heel goed zijn in het redeneren over hun specialisme, maar niet over het geheel. Die beperking leidt tot helderheid en precisie op een deelterrein. Maar de dichter staat open voor het geheel en tracht de wijsheid die nodig is om goed te leven te verwoorden. Socrates hechtte niet veel waarde aan het soort wetenschappelijke helderheid waar elke poëzie uit verdwenen is. Voor hem had filosofie meer te maken met het erotische verlangen naar compleetheid en zelfkennis. En is Plato's inspirerende beschrijving van dat verlangen niet alleen al te mooi voor de versnipperaar?