De stad is een verdwijntruc

In de stad kun je jezelf gevaarlijk kwijtmaken. Het Amsterdams Historisch Museum toont honderd jaar stadsgezichten.

Amsterdam, Amsterdam! De stad die Jacques Brel bezingt met een hartstocht alsof ze onvervreemdbaar deel van hem uitmaakt, zijn hart voor altijd gebrandmerkt heeft en zijn longen tweebaans geasfalteerd, terwijl ik laatst las dat zijn ode alleen maar aan Amsterdam gericht werd omdat Antwerpen in het Frans een rottige lettergreep miste. `Dans le port d'Anvers' bekte niet goed dus werd het Amsterdam, Amsterdam waar zoveel liedjes over geschreven zijn dat elke keer wanneer ik de stad weer binnenrijd een speeldoosje in mijn borstkas openkiert dat tinkelend Aan de Amsterdamse grachten en Amsterdam huilt en Sally de ijscoman `ik ben Sally, goocheme Sally, die de mensen op z'n duimpie kent, hoeveel mensen in de rats heb ik van mijn kleine krats nog wat gegeven, zál ik leven..' ten gehore brengt, tranen in mijn ogen.

Amsterdam, de stad waar ik niet geboren ben maar wel wil sterven (nog even wachten). Mijn vroegste herinneringen aan de stad beslaan familiebezoek, logeerpartijtjes bij oma's, zonder twijfel hebben we een rondvaart door de grachten gemaakt en zijn grimassend de aapjes in Artis gaan bezoeken, maar ik herinner me het niet, herinner me alleen het zomerse beeld van een straat die zich eindeloos uitstrekte en doorsneden werd door fel zonlicht dat een huizenrij in de schaduw legde, koud als as. De tintelende verbazing dat mensen boven, onder, naast, haast als puzzelstukjes in elkaar, in die huizen woonden. Bovenal herinner ik me de sensatie die het eindeloze van die straat, de hoeveelheid huizen en mensen, bij me teweegbracht; het was een sensatie van kunnen opgaan in je omgeving, er zelfs in kunnen verdwijnen als je dat zou willen. Het was een prille sensatie van vrijheid, even onmerkbaar als onherroepelijk verbonden met een ander, dreigender, nooit door zonlicht beschenen gevoel, dat van een hang naar zelfdestructie. Jezelf kwijtmaken. In het dorp waar ik vandaan kwam kon je niet opgaan in je omgeving, nooit anoniem zijn, jezelf kwijtraken. Je bleef wie je was en iedereen wist ook altijd precies waar je was geweest.

Als kind kreeg ik er vaak klappen. Iedere straathoek betekende voor mij een moeilijke keuze, ik zou mijn belagers kunnen tegenkomen. De keuze aan straathoeken in het dorp was zo beperkt dat ik ze uiteindelijk toch altijd tegenkwam, tranen in mijn ogen. Amsterdam scheen mij een kostelijk doolhof toe, zo uitgestrekt dat mijn kwelgeesten me nooit meer zouden kunnen vinden en als ze me toch zouden vinden dan zou ik tegen die tijd allang weer iemand anders geworden zijn. Metamorfose-metropolis. De stad als grote verdwijntruc.

Dubbele bodem

Dat de stad één grote, levendige verdwijntruc is, is een gedachte die ook opkomt bij de tentoonstelling in het Amsterdams Historisch Museum, van een eeuw (1901-2001) geschilderde stadsgezichten van Amsterdam. Doek na doek biedt je de mogelijkheid te verdwijnen in stadsdecors die je al kende uit eigen ervaring; de Nieuwmarkt, het Rokin, Bickerseiland, de hoek van de Korte Prinsengracht met de Haarlemmerdijk waar Jan Ouwersloot in het midden van de jaren dertig een haringkar schilderde, in de stijl van de Nieuwe zakelijkheid; hard, glad, helder en droog.

Zaterdagavond heet het schilderij, en het is voor het grootste gedeelte in avondlijke duisternis gehuld, alleen de visman, die een witte jas draagt, een witte handdoek met een rode bies en de witte schalen op zijn kar lichten fel op. Verder weg, op de achtergrond, verspreiden de etalages van Vroom & Dreesmann en bescheiden straatverlichting nog wat moe zachtgeel licht. Vroom & Dreesmann is sinds lang van deze straathoek verdwenen en de haringkarren zijn haringkramen geworden. De verdwijntruc blijkt een dubbele bodem te hebben, het beeld waar je in wilt verdwijnen is inmiddels zelf verdwenen.

Of staat op het punt te verdwijnen. Nicolaas Wijnberg schilderde nog niet zo lang geleden op de westelijke eilanden het gebouw `De walvis', pakhuis of werkplaats, dat gesloopt ging worden. Het vastleggen van gebouwen die gesloopt gaan worden kent een lange geschiedenis in de schilderkunst. In 1657 schilderde Pieter Saenredam het oude stadhuis van Amsterdam, naar tekeningen die hij in 1641, in grote haast, vlak voor de sloop gemaakt had. Het helle licht dat het schilderij overheerst maakt dat het stadhuis eruit ziet als een mediterrane droom, een verre herinnering, onbereikbare plek. (Maar het schilderij is te zien in het Rijksmuseum). De sporen van een andersoortig verdwijnen legde Germ de Jong vast. Hij schilderde een gapend gat in de Jodenbuurt, waar huizen gestaan hadden van weggevoerde (lees vermoorde) joden, huizen die in de hongerwinter door de bevolking gesloopt werden om het hout als brandstof te kunnen gebruiken.

Op de tentoonstelling hangt nog een ander doek van Nicolaas Wijnberg. In 1995 schilderde hij de Galgenstraat, in onwaarschijnlijk felle kleuren, het is alsof de zon schijnt en het tegelijkertijd regent, regelrecht regenboogweer is het. Er zoeft een skater door de Galgenstraat, je ziet hem op de rug, én op de billen, want hij draagt geen broek, slechts een string. De skater bestaat echt, is een bekende figuur in het Amsterdamse straatbeeld, met de bruinste blanke billen van de stad. Wijnberg heeft ook fantasie-elementen aan het doek toegevoegd; de loods die rechts op het schilderij is afgebeeld staat in werkelijkheid ergens anders op het Prinseneiland. Een schilderij als dit wordt een fantasiegezicht of capriccio genoemd. Eeuwenlang al manipuleren schilders hun afbeeldingen van de werkelijkheid door er naar believen dingen aan toe te voegen. Sampling is niets nieuws. Zo schilderde Jan van der Heyden, een van de beste stadsgezichtsschilders die Amsterdam rijk geweest is, van 1637 tot 1712, ooit een gezicht op de Amsterdamse grachten met het stadhuis van Haarlem op de achtergrond.

Pralende voorspoed

Geschilderde stadsgezichten werden pas in de tweede helft van de gouden zeventiende eeuw een zelfstandig genre. Voor die tijd werd de stad voornamelijk afgebeeld op etsen en gravures, of als versiering op landkaarten. Het was de nieuwe elite van kooplui en regenten, welgestelde burgers die weinig interesse hadden voor schilderijen met bijbelse of geschiedkundige afbeeldingen, die geschilderde stadsgezichten kochten. De zichtbare rijkdom van de afgebeelde stad weerspiegelde hun eigen pralende voorspoed immers perfect.

Tot aan het eind van de negentiende eeuw behouden de stadsgezichten van Amsterdam iets van de karakteristieke wolkenluchten die de schilderijen van de eerste, zeventiende-eeuwse stadsschilders zo'n dramatisch en beweeglijk aanzien gaven. Dan, eind negentiende eeuw, komen beweging en drama niet meer van woest voorbijdrijvende wolken, maar van de kwast, uit de verf zelf.

Breitner, oppergod van het Amsterdamse stadsgezicht, schildert de Kalverstraat na een regenbui en de dynamiek van het schilderij komt van de weerspiegeling van die vlaggen in de natte bestrating, trefzeker aangebracht met een paar vlugge lompe kwaststreken. Hij schildert het (nog niet gedempte) Rokin uit het raam van de kunstenaarssociëteit Arti et Amicitiae halverwege de straat, met snelle lichte gebaren die aan de paardenkoetsjes die op het schilderij afgebeeld staan een nerveuze haast verlenen. De twintigste eeuw, de eeuw van de snelheid, kondigt zich aan in het handschrift van de kunstenaar.

Persoonlijke expressie krijgt voorrang boven het vastleggen van de werkelijkheid, de fotografie heeft die taak overgenomen van de schilder- en beeldhouwkunst, die zich bevrijd driemaal om hun as draaien. Het modernisme barst los, alles kantelt, alles beweegt in het impressionisme, fauvisme, expressionisme, kubisme, vorticisme, luminisme, suprematisme, futurisme!

In 1909 publiceert Marinetti in Parijs, in de Figaro van 20 februari, zijn futuristisch manifest, waarin hij onder meer gevaar en agressie bejubelt, oproept tot revolte tegen alles wat verstard is en een nieuw soort schoonheid looft: die van de snelheid. Hij noemt musea begraafplaatsen en beweert een race-auto stukken mooier te vinden dan een klassieke sculptuur.

Ook stadsgezichten lijken te bewegen met de snelheid van een race-auto. Gino Severini schildert in 1912 zijn hectische indrukken van de Parijse metro, Nord-Sud. Naamborden razen langs, `Pigalle' en `direction St. Lazaire' en `1e classe'. In George Grosz' Metropolis (1916) scheurt het verkeer meedogenloos door een uiteenstuivende mensenmassa. Een schilderij als een dodenrit is het. Duizelingwekkend. `Grand mercier' staat erop te lezen, en `Hotel Atlantic', `café', `passage', `magazin' en `Benz'. In de twintigste eeuw is het stadsgezicht leesbaar geworden, een stotterend gedicht van lichtreclames aan en uit, uithangborden hier en daar en affiches overal. `Voortbeweging./ Alles krioelt/ de geest komt plots tot leven en kleedt zich op zijn beurt aan als de dieren en de planten/ Wonderbaarlijk/ En kijk/ De schilderkunst wordt dat gigantische ding dat beweegt/ Het wiel/ Het leven/ De machine/ De menselijke ziel.' schreef Blaise Cendrars, dichter en snelheidsminnaar, in 1919.

Verkeersdrukte

Van deze omwentelingen in de kunst is op de tentoonstelling in het Amsterdams Historisch Museum maar weinig te bespeuren, misschien nog het meest bij Jan Sluyters, die een tijdje in Parijs verbleef en zijn ervaringen met de kunstwereld daar meebracht toen hij zich in 1906 in Amsterdam vestigde en een aantal kleine levendige stadsgezichten vervaardigde waarvan vermoed wordt dat hij ze buiten, ter plekke schilderde, niet in zijn atelier. Of jaren later bij Jan Sierhuis, die het Bickerseiland in 1952, weliswaar tekstloos, maar wild en beweeglijk schilderde, wat misschien niet in de laatste plaats ingegeven werd doordat het zo hard waaide toen Sierhuis aan het werk was dat hij zijn schilderij aan de brug moest vastbinden om het te kunnen voltooien. Bij Ernst Voss, die in de jaren tachtig de verkeersdrukte in de binnenstad vastlegde.

Maar vaker toch blijft Amsterdam die mooie oude stad op palen die dromerig weerspiegeld wordt door de grachten en de Amstel. Leo Gestel schilderde rond 1916 de Nieuwe Amstelbrug, ontworpen door Berlage, bij avond. Driekwart van het langwerpige schilderij wordt in beslag genomen door grote zuigendzwartbruine schuiten waarvan je eigenlijk alleen de contouren waarneemt, de brug is nog net aan de bovenkant zichtbaar, de lichtjes van de brug pinkelen in het donkere water.

Terwijl het stadsgezicht zich als genre tegenwoordig zelf in de periferie van de schilderkunst bevindt, zoeken de meeste kunstenaars die nu nog stadsgezichten schilderen de periferie van de stad op. Ze schilderen parkeergarages in de Bijlmer, verkeerstunnels met camerabewaking, op- en afritten van de ringweg, de nieuwbouw op de oostelijke eilanden. Het moderne (snelle) van hun werk zit voornamelijk in de onderwerpen die ze kiezen, niet in de stijl. Want hoewel ze de dynamiek van de nieuwe stad trachten vast te leggen, zijn hun schilderijen zelf weinig dynamisch. Arie Schippers schildert met nette verfstreken de Westerdoksdijk, waar gekraakte panden moeten wijken voor nieuwbouw, of legt de bouwactiviteiten op Borneo-eiland vast. Wim Janssen geeft een schematische weergave van de Ringweg Noord in koele tinten geel, groen en sepia en Harold Schouten beeldt in een serie grauwogende schilderijtjes de tunnel af die onder het New Metropolis-gebouw door loopt. Een stuk frisser zien de schilderijen van Theo de Feyter eruit waarin vrolijk gekleurde strakke speelgoedversies van de loods Brazilië en de nieuwe brug bij het Borneo-eiland figureren. Maar ook zijn werk kan me er niet van overtuigen dat het schilderen van (herkenbare) stadsgezichten in deze tijd géén achterhoedegevecht is geworden. `Het schroeien dat de dingen wakker houdt' zoals Lorca bezieling noemde, ontbreekt eraan, wordt blijkbaar opzijgeschoven door de wens van de schilder om de werkelijkheid vast te leggen.

Straatnimf

Kan moderne kunst, kunst die als een straatnimf driemaal uitdagend om haar as gewerveld heeft, eigenlijk nog wel een stadsgezicht opleveren?

In 1987, niet lang nadat hij aan de Gelderse Kade in Amsterdam was komen te wonen, maakte René Daniëls (wiens werk niet te zien is in het AHM) twee series schilderijen, Lentebloesem en Kades-Kaden genaamd. In beide series keert hetzelfde motief, dat van een plattegrond, terug, zo schematisch weergegeven dat het ook best een boomtak zou kunnen zijn. Langs de vertakkingen zijn in plaats van straatnamen titels van Daniëls' eerdere schilderijen geschreven: The most contemporary picture show staat er en 8 schilderijen over ondergronds verzet, Eindhoven niet Eindhoven (het werd Amsterdam, de kades wonnen het van de lanen). Mr. Noordzee, Eindelijk alleen en Samenzwering der zinnen. Als je met geloken ogen kijkt hebben de neergekrabbelde woorden inderdaad wel iets van bloesems weg. In het werk van René Daniëls wordt altijd een spel met betekenissen (en het ontkennen ervan) gespeeld. Misschien zijn deze 'stambomen' bijvoorbeeld een metafoor voor een groeiend oeuvre, maar het is er dan wel een met een dubbele bodem, want de schilderijen zelf zijn afwezig, alleen de titels zijn achtergebleven op deze doeken. Daniëls heeft me ooit verteld dat hij de schilderijen maakte om zich thuis te gaan voelen in Amsterdam, en dat is de betekenis die mij is bijgebleven. Door zijn titels langs de grachten en kades van Amsterdam te stallen verankerde hij zijn verbeelding in de stad waarin hij was gaan wonen. Klaarblijkelijk nam hij geen genoegen met onmerkbaar opgaan in het decor, met zelfverlies, maar wilde hij Amsterdam veroveren, tot de zijne maken, er compleet mee samenvallen. Met zo'n inzet wordt de schilderkunst pas dat gigantische ding dat beweegt.

Stadsgezichten (1901-2001), t/m 2-9 in het Amsterdams Historisch Museum, Kalverstraat 92/N.Z.Voorburgwal 357, Amsterdam. Tel. (020)5231822. Open ma-vr 10-17u, za-zo 11-17u.