De muizen winnen

Nederlandse popmuzikanten staan op het podium met een eigen soort onschuld. Zeventiende aflevering van een zoektocht naar de kern van de Nederlandse cultuur.

Het lijkt wel een muis en de olifant-mop. `Hoe Nederlandse bands het clubcircuit heroverden op de Amerikanen'. Toch is het gebeurd. Sinds een jaar of tien zijn de Nederlandse poppodia vooral het domein van Nederlandse groepen. En al klinkt dat vanzelfsprekend, het is een revolutie. Want tot begin jaren negentig waren het Amerikaanse en Engelse bands die het overwicht hadden. Daarna is er van alles veranderd. Platenmaatschappijen ontdekten bijvoorbeeld dat het voordeliger is om de buitenlandse groepen één optreden per land te laten doen, in plaats van een twee weken durende tournee van Maastricht tot Warfhuizen.

Ondertussen ontkiemde er in de polder iets dat langzamerhand is uitgegroeid tot een Volwassen Nederlandse Popscene. We hebben alles: van rap tot r&b, van rock tot avant-garde noise – in het Nederlands, Papiamento, Engels of Drents. We hebben rockdiva's en country-meisjes, Keltisch kwelende Friezen en rebelse macho's.

Zo komt het dat er nu geen gat gaapt op die goed gesubsidieerde Nederlandse poppodia. Daar staan voortaan De Spookrijders, Ilse DeLange, Abel, Neuk, Krezip of Marco Borsato. Muzikanten die tussen de nummers door het publiek niet vragen om een joint en een biertje, maar die `Hatsekidee' zeggen, of `Nou, bedankt hè'. Die na afloop weer naar huis rijden en in hun eigen bed slapen. In milieu-opzicht een stuk verantwoorder. Geen trucks vol apparatuur meer, en eindeloos gevlieg om de aardkloot. Eens in de zoveel tijd strijkt U2 neer met zeventien vrachtwagens vol versterkers, lampen en rekwisieten. Maar Madonna komt al niet meer, ze speelt haar `Drowning World'-concerten in heel West-Europa behalve in Nederland. Daar kunnen ze het alleen wel af, dacht ze waarschijnlijk.

Zoals bij een koe de biefstuk van de bil komt en het soepvlees van de knie, zo kun je ook de Nederlandse popmuziek indelen naar regio. Het Noorden levert luchtige bands met akoestische instrumenten (Skik, Twarres), Brabant/Zeeland alternatieve maar radio-vriendelijke liedjes (Krezip, Abel, Bløf). Den Haag is de rockstad (Anouk, Kane, Billy The Kid), Amsterdam de broedplaats van experimentele groepen (Bauer, Solex), en in Rotterdam gedijen zwarte stijlen als rap, r&b en reggae (Def Rhymz, Replay, Postmen). Het publiek omarmt ze allemaal. Verdwenen is het cultuursnobisme, vergeten het idee `wat je van ver haalt is lekker'. De zalen waar Brainpower, Green Lizard of Ilse DeLange optreden zijn lang tevoren uitverkocht. Nederlandse artiesten worden om de beurt overspannen omdat ze de vraag nauwelijks aankunnen.

De grootste kracht van popmuziek is haar directheid. De productietijd is korter dan enig ander medium: een single wordt vandaag opgenomen, ligt morgen in de winkel, en is te horen op de radio. Films zijn sloom, boeken hermetisch, maar muziek is heet van de naald. Ze kan je vandaag vertellen wat we gisteren voelden. Niet voor niets heette Amerikaanse rap aan het begin van de jaren negentig `de CNN van de zwarte gemeenschap'.

Onze Nederlandse popmuzikanten worden daarmee de CNN, of liever gezegd de 2 Vandaag, van de Pijp, het Spijkerkwartier, de Schilderswijk, het Tjeukemeer en de Peel. Hun teksten, liedjes, geluid, techniek, live-gedrag en imago's zijn een weerslag van wat zich afspeelt in het diepst van onze ziel – op zijn minst die van de bevolking tussen de vijftien en dertig jaar oud. Die ziel blijkt argeloos en onbekommerd. Wie een Nederlandse groep betrapt op haar eerlijkste moment – het live-optreden – wordt getroffen door de frisse zweem die er omheen hangt. Hoe heftig de muziek ook mag zijn, het geheel van wat ze tot popmuzikant maakt (muziek+tekst+presentatie) is transparant.

Bono Vox, de zanger van U2, zei ooit over het onderscheid tussen pop en rock: pop is vriendelijk, rock heeft dreiging. Volgens die theorie is Nederland een pop-land. Niet dat Nederlandse bands hun tanden niet laten zien, maar het zijn melktanden. Dat heeft deels te maken met de prille leeftijd van de Nederlandse muziekscene, waardoor muzikanten nog altijd blij verrast op het podium lijken te staan: `Hee, wij kunnen het ook'. Maar het zit dieper.

Niet toevallig kreeg de Nederlandse popmuzikant hier te lande pas succes toen hij begon te schrijven over dichtbije thema's. Skik heeft het over de genoegens van `dreuge worst' of `op fietse' gaan, Abel over de typische Hollandse luchten, Spookrijders over de tram. Het publiek waardeert die kleinschaligheid. Maar meer nog dan de onderwerpen is het air van `degelijk en betrouwbaar' bepalend voor Nederlandse popmuzikanten. De muzikant heeft geen kapsones. Toen Ilse DeLange niet in de pas wilde lopen met de country-bazen van Nashville, zullen ze haar daar wellicht een lastige tante hebben gevonden, maar wij noemen dat integer.

Nederlandse muzikanten staan op het podium met een eigen soort onschuld waar je bij de buitenlandse collega's niet om hoeft te komen. Het is een onschuld die kan gedijen omdat een ander, typisch rock-, kenmerk ontbreekt: dierlijkheid.

`Enthousiast' is een van de meest gebruikte typeringen voor Nederlanders op het podium, of het nu gaat om de leden van Krezip of die van Postmen. Enthousiast betekent blij en verrukt. Het heeft niets te maken met de dreiging van de rock-muzikant – in de betekenis die Bono aan rock geeft. De groep Kane past muzikaal gezien onder het rock-lemma, maar in haar podium-uitstraling schuilt geen gevaar. Dierlijk staat voor grillig en onberekenbaar. Popmuzikanten die het wel hebben (Tom Waits, Liam Gallagher, D'Angelo) houden de toeschouwer alleen al in spanning met de vraag naar hoe hun humeur zal uitpakken; of er behoorlijk gespeeld zal worden – of er überhaupt gespeeld gaat worden.

Meer nog dan over het humeur zegt dierlijkheid iets over de drang om muziek te maken. Er zijn muzikanten die muziek maken omdat ze niet anders kunnen – God weet dat ze liever een ander bestaan hadden opgebouwd maar de muziek was sterker dan zijzelf; en er zijn mensen die muziek maken omdat ze het zo leuk vinden. Die laatsten zijn doorgaans Nederlands. Zoals Jacqueline Govaert, zangeres/liedjesschrijver van de Tilburgse groep Krezip. Hun debuut-cd, Nothing Less, werd drie keer platina en de single I Would Stay stond weken achtereen op de eerste plaats van de hitparade. Toch zit Govaert nog altijd op de Rock Academy, de tweejarige muzikantenopleiding in Tilburg. Ze vertelde aan OOR dat het `wel een beetje raar' was dat ze juist met I Would Stay de eerste plaats van de Top-40 had gehaald, terwijl ze op het prikbord op school haar naam zag staan bij het kopje `Hertentamen songschrijven'. Ze heeft het overgedaan en is geslaagd. Behalve degelijk is de Nederlandse popmuzikant ook ijverig.

Dierlijk is onberekenbaar, sterker-dan-jezelf, het is lichamelijk en het is seks. Seks is zeldzaam op de door Nederlanders bespeelde podia, al doet een glimp zich soms voor bij The Ex, in hun ongecoördineerde gitaarerupties, bij de huivering in de stem van Ilse DeLange, in de coole presentatie van The Anonymous Mis van Postmen.

Nu Nederland wordt beheerst door friswapperende popliedjes van eigen bodem is de geur van zweet en leer, die opstijgt uit verreisde Amerikaanse popmuzikanten die met zijn allen in een te klein busje van stad naar stad trekken, goeddeels uit ons land verdwenen. Maar er zijn uitzonderingen. Als dierlijkheid gelijk staat aan rock, dan telt Nederland twee echte rockhelden (het hadden er meer kunnen zijn als de Urban Dance Squad niet vorig jaar was bezweken aan een overdosis rock-spanning): Anouk en Herman Brood.

Bij Anouk kun je het zien aan de manier waarop zij over het podium loopt: de opwinding zit gevangen in kleine gebaren en maakt haar getergd – als een wolvin in haar kooi. Dat is heel anders dan de bewegingen van de gemiddelde Nederlandse popmuzikant, die zo sportief mogelijk over het podium springt.

En dan is er Herman Brood, ons nationale symbool van de ongezonde levenswijze die rock'n'roll heet. Al treedt hij niet meer op, in Brood steekt nog altijd het beest van vroeger. Het zit hem in zijn houding, in zijn breeduitgemeten verslavingen, maar vooral in zijn stem – die als enige herinnert aan de overgave waarmee Brood ooit muziek maakte. Het is een stem waarvan de grauwende kracht langzamerhand te groot is geworden voor het krakkemikkige lichaam dat hem omhult. Een stem die de aardse wetten tart.

Lange tijd functioneerde Herman Brood naar tevredenheid op twee gram speed per dag. Tegenwoordig gaat het niet goed met hem – verzakte lever, incontinent. Straks maakt Anouk in Amerika carrière en overlijdt Herman Brood. Dan hebben we niet één rockheld meer over.

In dat geval zit er maar één ding op: ook na zijn dood moet Herman Brood een nationaal monument blijven. Gebalsemd, bijgezet in een schrijn, op de zolder van Paradiso.

Volgende week begeeft Gerrit Komrij zich in het holst van Nederland