De lange en hobbelige weg naar Den Haag

Twee jaar nadat het VN-tribunaal Miloševic in staat van beschuldiging stelde zit hij in de Scheveningse gevangenis. En ondanks de machtswisseling van oktober vorig jaar was het niet makkelijk hem daar te krijgen.

Op 24 mei 1999 – twee weken voor het eind van de Kosovo-oorlog – vaardigt het Haagse VN-tribunaal voor oorlogsmisdaden een formele aanklacht uit tegen de toenmalige president van Joegoslavië, Slobodan Miloševic, en vier van zijn naaste medewerkers. Ze worden beschuldigd van oorlogsmisdaden in Kosovo sinds januari 1999, de verdrijving van 740.000 Kosovaren voor en tijdens de Kosovo-oorlog en de moord op 340 met name bekende Kosovaren.

Sindsdien wacht de buitenwereld, waar het de activiteit van het VN-tribunaal betreft, eigenlijk nog maar op één ding: de komst van Miloševic naar Den Haag, samen met die twee anderen die te boek staan als hoofdschuldigen aan jaren van bloedvergieten op de Balkan: Radovan Karadzic, de voormalige leider van de Bosnische Serviërs, en Ratko Mladic, diens legerleider, de Slachter van Srebrenica. Verdachte na verdachte is de afgelopen jaren afgeleverd in Den Haag – maar geen enkele kleine vis, en zelfs geen enkele grotere vis (zoals Mladic' plaatsvervanger Krstic) kan in de perceptie van de buitenwereld opwegen tegen de aanhouding van de drie hoofdrolspelers. Met tandenknarsen moesten hoofdaanklager Carla Del Ponte en haar woordvoerders bij elke nieuwe inlevering van een verdachte de onvermijdelijke vraag aanhoren wanneer Miloševic, Karadzic en Mladic zouden komen. Alsof de geloofwaardigheid van het tribunaal uitsluitend berust op de komst van deze drie naar Den Haag.

Anderhalf jaar lang is er geen schijn van kans geweest dat Miloševic naar Den Haag zou komen. Hij was oppermachtig in zijn eigen Joegoslavië. Nog in de lente van vorig jaar drukte hij grondwetswijzigingen door die hem nog een jaar of tien in het zadel zouden kunnen houden. Tot eind vorig jaar is er nooit een teken geweest dat erop wees dat hij zich bedreigd voelde door de aanklacht die in Den Haag tegen hem was uitgebracht. Als die aanklacht al iets bewerkstelligde, dan alleen een grenzeloze minachting voor het tribunaal als een anti-Servisch instrument van de NAVO.

In oktober was het spel opeens uit. Maandenlang touwtrekken over de uitslag van de presidentsverkiezingen eindigde met een korte, hevige volksopstand, die Miloševic tot aftreden dwong. Opeens was hij een min of meer gewone, min of meer kwetsbare burger. Opeens waren zijn tegenstanders aan de macht.

Het idee van een aanhouding en een uitlevering begon in oktober opeens voorstelbaar te worden. Maar zelfs toen bleef dat nog heel lang onwaarschijnlijk. Op de eerste plaats moesten de nieuwe machthebbers rekening houden met Miloševic' nog zeer grote aanhang: 37 procent van de Serviërs had altijd nog op hèm gestemd, bij die verloren presidentsverkiezingen. Wat zouden zij doen als hun grote leider zou worden opgepakt? Op hun beurt een volksopstand ontketenen? En wat zou de door Miloševic benoemde en beschermde top van het leger, de politie, de speciale politie en de veiligheidsdiensten doen, medeplichtig als ze waren aan dezelfde oorlogsmisdaden waarvoor Miloševic was aangeklaagd?

Daarnaast waren de nieuwe machthebbers, de Joegoslavische president Vojislav Koštunica en de Servische premier Zoran Djindjic, het onderling oneens. De twee zijn elkaars tegenpolen. De pragmatische en opportunistische raspoliticus Djindjic had geen moeite met Miloševic' aanhouding en uitlevering. Koštunica had die wel: hij, de steile jurist, Prinzipienreiter en nationalist, wilde een solide juridische basis voor de uitlevering. En die was er niet zolang de grondwet de uitlevering van Joegoslavische staatsburgers naar het buitenland verbiedt.

Pas in december, na de Servische parlementsverkiezingen, en januari, na de vorming van een nieuwe Servische regering, slaagde het nieuwe bewind erin een beperkte zuivering onder Miloševic' handlangers door te voeren. Vervolgens kon worden gewerkt aan de juridische basis voor Miloševic' uitlevering.

Dat het sindsdien relatief snel is gegaan, ligt ironisch genoeg aan Miloševic zelf: hij liet een sociale en economische ruïne achter. Om die ruïne op te lappen zijn miljarden nodig. Die miljarden kunnen alleen uit het buitenland komen. En dat buitenland maakt die hulp afhankelijk van de uitlevering van Miloševic. De Amerikaanse regering presenteerde Belgrado met een ultimatum door economische hulp afhankelijk te stellen van de arrestatie – uiterlijk 31 maart – van Miloševic.

Het ultimatum werd een waterscheiding. Zonder buitenlandse hulp staat Joegoslavië een collaps te wachten. Joegoslavië, zo zei onlangs de directeur van de nationale bank, Mladjan Dinkic (dezelfde die in de jaren negentig haarfijn uitploos hoe de kliek rond Miloševic het volk van vijf miljard mark beroofde en naar zijn eigen bankrekeningen sluisde) heeft drie jaar lang één tot anderhalf miljard dollar per jaar nodig om te herstellen van de schade die door Miloševic is aangericht. De economie is in tien jaar met veertig procent gekrompen. De werkloosheid is 27 percent, de inflatie minimaal 35 procent en de buitenlandse schuld van 12,2 miljard dollar – veel meer dan gedacht – komt neer op vijf keer de opbrengst van de hele jaarlijkse export. Zonder hulp wacht Joegoslavië naast een economische ook een sociale crisis. Zonder hulp valt ook het nieuwe democratische bewind. Dinkic: ,,Miloševic is het enige obstakel. Hij is een vampier. Politiek is hij dood, maar hij zuigt nog steeds ons bloed op door de weg naar hulp te blokkeren.''

Belgrado zwichtte: op 30 maart, één dag voor het aflopen van het Amerikaanse ultimatum, probeerde men Miloševic te arresteren. Dat mislukte, maar op 1 april gaf de voormalige autocraat zich dan toch over.

Nog altijd was daarmee de uitlevering aan Den Haag niet vanzelfsprekend: een juridisch kader was er nog steeds niet, en bovendien vonden mensen als Koštunica dat Miloševic eerst in eigen land moest worden berecht wegens fraude, machtsmisbruik, diefstal en corruptie.

Een tweede ultimatum, weer van Washington, gaf de laatste duw. Door economische hulp afhankelijk te maken van medewerking met het VN-tribunaal hebben de VS Belgrado voor de tweede keer tot inbinden gedwongen. Al weken is de bevolking van Joegoslavië door het bewind psychologisch voorbereid op de uitlevering. De media brengen details over massagraven met Kosovaarse slachtoffers van Miloševic, gruwelijke details die de Serviërs jarenlang zijn onthouden. Ministers vertellen hoe Miloševic opdracht gaf de sporen van oorlogsmisdaden uit te wissen.

Het heeft geholpen. In april sprak zich bij een opiniepeiling nog maar elf procent uit voor uitlevering. Vorige week was dat 46. Djindjic hoeft geen volksopstand meer te vrezen, maar wel een diepe politieke crisis: de Joegoslavische regeringscoalitie is uiteengevallen als gevolg van de manier waarop de overdracht van Miloševic is geregeld: met een decreet dat gisteren door het Constitutionele Hof buiten werking werd gesteld, een beslissing die Djindjic simpelweg aan zijn laars lapte. De Joegoslavische coalitie is uiteengevallen en de kloof tussen Djindjic en Koštunica gaapt open en bloot. De gang van zaken van gisteren, en het risico van een gevaarlijke crisis illustreren hoe hoog de nood is, en hoe wanhopig Joegoslavië hulp nodig heeft.

    • Peter Michielsen