De haaien van vijf uur

De titel is een leugen. Verhaal van een schipbreukeling die dertien dagen zonder eten of drinken op een vlot ronddobberde, tot held van de natie werd uitgeroepen, door schoonheidskoninginnen werd afgezoend en door de publiciteit in goeden doen kwam, maar het toen bij de regering verbruide en voorgoed vergeten werd.

Een leugen, omdat de lotgevallen van Luis Alejandro Velasco later in dertien talen over de aardbol verspreid werden en hij zich zo niet alleen verzekerd wist van wereldwijde roem, maar bovendien in goeden doen raakte, omdat de journalist die het verhaal had opgetekend, Gabriel García Márquez, hem de auteursrechten ervan gunde. Althans, tot de dag halverwege de jaren negentig waarop de ex-schipbreukeling het verbruide bij het agentschap van de Nobelprijswinnaar en hij na interventie van een rechter die inkomsten voorgoed vergeten kon.

García Márquez sprak in 1955 twintig dagen lang dagelijks vier uur met Velasco om diens verblijf op zee te reconstrueren voor de krant El Espectador. Het verhaal van de schipbreukeling is niet lang: hij slaat overboord op een met Noord-Amerikaanse smokkelwaar volgeladen boot van de Colombiaanse marine, ziet drie medematrozen verdrinken en dobbert vervolgens tien dagen op de Caraïbische Zee.

Dagelijks om vijf uur komen de haaien, wat hij precies weet omdat zijn horloge (evenals die van zijn Brabantse generatiegenoot Wim van Est) de hele periode precies op tijd bleef lopen. Eenmaal vangt hij een meeuw en eenmaal een vis, eenmaal zit er een wortel aan het vlot vast. Op een nacht slaat het vlot driemaal om. Veel meer gebeurt er niet, maar de suspense compenseert dat ruimschoots.

Het is een coherent verhaal, maar is het ook waar? Want van de geest van een collega-matroos die af en toe verschijnt mag dan duidelijk uit de hallucinaties van Velasco zijn opgestegen, hoe zit dat met het vliegtuig dat de eerste dag boven zijn vlot cirkelt? En met de hap die de haai uit zijn roeispaan neemt? En moest hij inderdaad twee kilometer naar de kust zwemmen? Of was het niet zo heroïsch? Voer voor psychohistorici.

In literaire zin is het een verbluffende, vroege proeve van García Márquez' (1928) vertelkunst. Mét de sfeer van wat later `magisch realisme' is gaan heten, maar stilistisch staat het realisme aan het roer. De zinnen van de schipbreukeling zijn korter dan in het latere werk. (De meanderende titelzin is pas bedacht bij de boekuitgave in 1970). Zo biedt het relaas belangrijk tegenwicht aan het wijd verbreide misverstand dat de grote kwaliteit van García Márquez' werk zou schuilen in het `magische'.

Gabriel García Márquez: Verhaal van een schipbreukeling, Meulenhoff, 105 blz. ƒ25,–