De eersten de besten

Tegen de zelfgenoegzaamheid van de babyboomers en de hervonden trots van de `stille generatie' in, brengt de Amerikaanse historicus Joseph Ellis - nu zelf in opspraak wegens een verzonnen Vietnam-verleden - de grondleggers van de natie in stelling als de beste generatie Amerikanen aller tijden.

Niet als symbolen, maar als mensen.

Welke generatie verdient het predikaat `de beste' in de geschiedenis van de Verenigde Staten? Deze zeer Amerikaanse kwestie verdeelt de `chattering class' en houdt de herinnering aan de turbulente jaren zestig levend. Het is een even boeiend als merkwaardig retorisch steekspel waarin babyboomers, vertegenwoordigers van de 'stille generatie' – ijkpunt: de Tweede Wereldoorlog – en een historicus die is gespecialiseerd in de politieke geschiedenis van het vroege Amerika elkaar de les lezen.

Tot voor kort lag het initiatief bij de babyboomers. De sociale revolutie die zij op het breukvlak van de jaren zestig en zeventig ontketenden, trok diepe sporen op het gebied van raciale verhoudingen, seksuele relaties en de werkverdeling. De wereld van hun ouders en grootouders leek vanuit hun verheven perspectief zowel achterlijk als bekrompen.

En toch, in de jaren negentig werd hun suprematie betwist. De `stille generatie' opende de tegenaanval: de mannen die de wereld hadden verlost van Hitler en vervolgens met noeste arbeid het recessiespook hadden verdreven. Van hun kinderen hadden ze op z'n minst dankbaarheid verwacht, maar die hadden het veel te druk met zichzelf. Ze waren zo gebiologeerd door hun eigen gevoelsleven, dat ze niet ook nog eens tijd hadden de prestaties van hun ouders in hun bespiegelingen mee te wegen. Toen ze, in de woorden van Bill Clinton, het kweken van karakter ook nog eens als een `zoektocht' bestempelden, was de maat vol. Karakter kweken: daar wisten de oorlogsveteranen immers alles van. De lippenbijters van Iwo Jima, Pearl Harbor en D-Day raakten zo op de valreep aan het praten over hun heldendaden en opofferingsgezindheid. Wat begon met het succes van de film Saving Private Ryan (Steven Spielberg, 1999) en de bestseller The Greatest Generation (Tom Brokaw, 1999), is inmiddels uitgemond in een stortvloed van films, televisiespecials, cd's met oude radio-opnames en hits en therapeutische boeken waarin deze band of brothers zichzelf bewierookt en, impliciet, het calorievrije egoïsme van de geboortegolvers aan de kaak stelt.

De historicus Joseph Ellis kan zijn verontwaardiging over de nieuwe – en waarschijnlijk laatste – decoratie die de voormalige stille generatie zichzelf nu opspeldt nauwelijks de baas. In zijn onlangs met de Pulitzerprijs voor geschiedenis bekroonde boek Founding Brothers neemt hij het op voor een nog veel eerdere generatie. Voor de leiders van de Amerikaanse Revolutie, de mannen die de banden doorsneden met Groot-Brittannië, de Onafhankelijkheidsverklaring schreven, de grondwet opstelden en de eerste vier presidenten leverden: `Ondanks recente pogingen om die titel in de twintigste eeuw te lokaliseren, vormden zij volgens iedere geïnformeerde en rechtvaardige maatstaf de beste generatie van politiek talent in de Amerikaanse geschiedenis. Zij gaven gestalte aan de Amerikaanse republiek, en wisten die in de eerste explosieve en kwetsbare jaren van haar bestaan bijeen te houden.'

Ellis, een gerenommeerd historicus, is momenteel het middelpunt van een controverse over zijn eigen verleden. Waar hij zich als historicus afzet tegen de mentaliteit van de protestgeneratie, heeft hij zich die in zijn eigen biografie juist proberen toe te eigenen. Naar vorige week bekend werd, heeft hij in colleges jarenlang zijn rol als soldaat in de Vietnam-oorlog, als latere demonstrant tegen die oorlog en als betrokkene bij protesten tegen de raciale ongelijkheid opgehemeld. In werkelijkheid beleefde hij de `jaren zestig' vooral als docent aan een militaire academie. Ellis heeft excuses aangeboden voor zijn verzinsels, maar het is de vraag of de zaak, die in Amerika tot veel ophef heeft geleid, voor hem met een sisser afloopt. In ingezonden brieven, in onder meer The New York Times, hebben enkele vooraanstaande historici zich verontrust getoond over Ellis' vermenging van feit en fictie. Zijn universiteit, Mount Holyoke in Massachusetts, reageerde aanvankelijk laconiek, maar heeft zijn colleges over Vietnam nu geschrapt. Wel staat zijn reputatie als historicus van de achttiende eeuw nog recht overeind.

In Founding Brothers, de culminatie van dertig jaar denken over de Revolutie, doet Ellis eerst een `onaangename waarheid' voor moderne lezers uit de doeken: dat hij zijn aandacht richt op een periode waarin een kleine groep mensen, `bijna allemaal mannen, zonder uitzondering blank', de dienst uitmaakte. Maar al in het eerste van de zeven fraaie essays waaruit het boek bestaat, met de titel `De Generatie', slaat die defensieve toon om in hoon en woede. De beginnende historicus die aankondigt zich te willen richten op de geschiedenis van de vroege republiek, schrijft hij, `wordt er over het algemeen van beschuldigd een verklaring van intellectueel faillissement te hebben afgegeven.' De Amerikaanse opstandelingen, voegt hij eraan toe, vormen een `radioactieve wolk' voor politiek correcte critici die zich niet kunnen verenigen met het karakter van hedendaags Amerika. Ellis neemt vervolgens de ondankbare taak op zich de aartsvaderen van hun `radioactieve' smetten te ontdoen en hun prestige te herstellen. Zijn boek is zowel geschiedenis als polemiek. Dat blijkt alleen al uit de titel: Founding Brothers is een ironische knipoog naar feministische en politiek correcte vakgenoten voor wie `Founding Fathers' hopeloos paternalistisch klinkt.

Het is minder bizar dan Ellis ons wil doen geloven, dat de leiders van de Revolutie de gebreken van het hedendaagse Amerika in de schoenen krijgen geschoven. Tot in de jaren zestig van de vorige eeuw werd op middelbare scholen en aan universiteiten gedoceerd dat deze groep briljante politieke denkers en doeners het bestuurlijk fundament van de republiek had gelegd, waaruit twee eeuwen later een wereldmacht kon groeien. Als Amerika het beste land op aarde was, dan waren de opstandelingen zonder twijfel de beste generatie, alleen al omdat zij, zoals Ellis schrijft, `de eerste' generatie was. Hun erfenis, een democratisch systeem dat een lichtend voorbeeld vormde voor alle naar vrijheid strevende volken en dat een waarschuwing inhield voor potentaten en dictators, stond twee eeuwen later nog recht overeind. George Washington, John Adams, Thomas Jefferson en James Madison dienden latere politici niet alleen tot inspiratie, hun levens en heldendaden hadden tevens een symbolische functie. Ze vormden, met de vlag en de dollar, het cement dat het land bijeen hield.

Althans, zolang het goed ging met Amerika. Voor de protestgeneratie die in de jaren zestig en zeventig de universiteiten bevolkte waren de founding fathers vooral founding failures: slavenhouders, opjagers en moordenaars van indianen en onderdrukkers van vrouwen. Van lichtend voorbeeld veranderden ze in de bron van alle kwaad. Het was onvermijdelijk dat deze visie door een nieuwe generatie historici in de decennia daarop in de collegezalen en in boeken werd uitgedragen. Tot verdriet van Ellis bedreef de protestgeneratie geschiedenis als inquisitie – wat hij `de zonde van het presentisme' heeft genoemd – of liet zij de politieke geschiedenis van de achttiende eeuw zelfs helemaal links liggen. De dead white males die Amerika vorm gaven, onthielden volgens deze jonge historici de in hun ogen boeiende minderheden in Amerika hun kans op macht, roem en aanzien. Het was, twee eeuwen later, de hoogste tijd hen uit de anonimiteit te halen. Niet de politieke, maar de sociale geschiedenis van de achttiende eeuw was volgens hen het ware aandachtsveld voor de vroeg-Amerikaanse historicus. Founding Brothers is daar weer een reactie op. Het boek is een geslaagde poging de revisionistische geschiedschrijvers van de afgelopen dertig jaar te corrigeren. Ellis komt er weer rond voor uit trots te zijn op de aartsvaderen en wat zij tot stand brachten.

Daarmee is niet gezegd dat hij een conventionele historicus is. Zijn werk onderscheidt zich door zijn fenomenale inlevingsvermogen in de karakters van de hoofdrolspelers van de Amerikaanse Opstand, die hij niet als halfgoden maar als typsiche achttiende-eeuwers neerzet. Ellis brengt ze onder onze hernieuwde aandacht door ze in hun tijd te plaatsen, door ze te ontdoen van hun historiografische bagage. Hij maakt mensen van ze, in plaats van de symbolen die ze tot nu toe waren. Hun grootste prestatie was, schrijft hij, niet het maken van een revolutie – de afgelopen eeuw heeft uitgewezen dat daar niet veel voor nodig is – maar het bestendigen ervan. Pas nadat Amerika onafhankelijk was en een grondwet had begon het eigenlijke werk: het bijeenhouden van het immense land.

Het knappe van zijn boek is dat de essays zowel op zichzelf staan als zijn verenigd in een thema: het moeizame proces van unificatie in het laatste decennium van de achttiende eeuw. Elke founding father had zijn eigen opvatting over hoe Amerika moest worden bestuurd. En omdat de eerste generatie werd gevormd door erudiete en gedreven mannen die hun meningen niet onder stoelen of banken staken, was hun leven volgens Ellis een langdurige `schreeuwpartij'. In praktijk waren dit geen `broeders', zoals de titel van zijn boek suggereert, maar rivalen en, in een enkel geval, bittere vijanden. Roddels, laster, scheldpartijen, pamfletten en riooljournalistiek waren – naast het uitvechten van een enkel duel – de wapens waarnaar zij grepen. Het beeld van de opstandelingen moet dus worden bijgesteld: de bepoederde en bepruikte semi-aristocraten traden elkaar niet met fluwelen handschoenen tegemoet. Ze waren volgens Ellis verbale vrijworstelaars – de eerste generatie Amerikaanse schreeuwers – die elkaar met liefde het graf in prezen en beentje lichtten.

Slechts één onderwerp meden zij als de pest: de slavernij. In het opstel `De Stilte' verklaart Ellis waarom de discussie daarover taboe was: de leiders beseften dat die het land zou splijten en opsplitsen. Noordelijke aartsvaderen waren ervan overtuigd dat de slavernij niet was te verenigen met de boodschap uit de Onafhankelijkheidsverklaring dat alle mensen `gelijk waren geschapen'. Zuidelijke aartsvaderen waren zelf slaafeigenaren die in hun levensonderhoud afhankelijk waren van het behoud van dit `verderfelijke instituut'. Een vergelijk tussen noord en zuid was niet mogelijk. De aartsvaderen wisten dat en deden er dus het zwijgen toe.

Ellis is onverholen partijdig in zijn bewondering voor een specifieke opstandeling: John Adams. Daarin staat hij niet alleen. De tweede president van de Verenigde Staten en de eerste Amerikaanse ambassadeur in Nederland is ook onderwerp van een lijvige, vlot geschreven en sympathieke biografie van de hand van historicus David McCullough, die momenteel de bestsellerslijsten aanvoert. De recente populariteit van Adams is opmerkelijk: van de vier presidenten die de eerste generatie leverde gold hij tot nog toe als de minst aantrekkelijke en de minst succesvolle. Hij miste in de populaire beeldvorming het heroïsch-stoïcijnse van George Washington, het verhevene van Thomas Jefferson en de koele intelligentie van James Madison.

Adams was niet voor niets de eerste president van één termijn. Als zijn belangrijkste prestatie geldt dat hij de vrede met Engeland en Frankrijk wist te bewaren en de jonge republiek de tijd gunde om tussen 1796 en 1800 op adem te komen. Daar stond tegenover dat hij geen greep had op zijn eigen vice-president, Thomas Jefferson, die achter zijn rug het door hem zo bewonderde Frankrijk van adviezen voorzag en zo het gezag van Adams ondermijnde. De voortdurende aanvallen op zijn persoon ergerden hem daarnaast dusdanig, dat hij het Congres geen strobreed in de weg legde bij het aannemen van de kwalijke Alien and Sedition Acts (1798), wetten tegen vreemdelingen en opruiing. Lasteraars konden daardoor zonder vorm van proces in de gevangenis worden gezet.

Ellis en McCullough doen weinig om het beeld van Adams als president bij te stellen. Hij dankt zijn eerherstel dan ook aan andere zaken. Om te beginnen was hij de enige van de eerste vier presidenten die zich consequent tegen de slavernij keerde. Waar de populariteit van Washington, Jefferson en Madison als slaafeigenaren uit het zuidelijke Virginia om deze reden de afgelopen jaren is gekelderd, is die van de puriteinse abolitionist Adams juist toegenomen. Als onvermogende agrariër uit Braintree – het latere Quincy – bij Boston in Massachusetts hechtte Adams aan eenvoud, integriteit, zuinigheid en onafhankelijkheid. En wat zeker zo belangrijk was: hij leefde naar zijn normen en waarden.

Dat laatste is volgens Ellis en McCullough van doorslaggevend belang. Adams was in hun ogen een goed mens: eerlijk, uit één stuk, zonder poespas, recht door zee. Ze geven zijn karakter reliëf door het af te zetten tegen dat van Jefferson, zijn politieke tegenstander en filosofische tegenpool, met wie hij zijn leven lang een boeiende correspondentie onderhield – volgens McCullough `een van de meest bijzondere briefwisselingen in de Amerikaanse geschiedenis of zelfs de Engels taal'. Jefferson was in de ogen van Ellis en McCullough een leugenaar, een huichelaar, een schimmige intrigant en een grenzeloze egoïst.

Dat de reputatie van Jefferson sinds de jaren zestig gebukt gaat onder zijn vele zwakheden had Ellis in de biografie American Sphinx: The Character of Thomas Jefferson (1997) al overtuigend bewezen. De beeldenstorm die op de universiteiten over de revolutionaire generatie trok heeft vooral hem getroffen. Vreemd is dat natuurlijk niet. Jefferson had als slaafhouder altijd al problematische kanten. Uitgerekend hij, de schrijver van de Onafhankelijkheidsverklaring, exploiteerde tweehonderd slaven op zijn landgoed. Voorheen trachtten historici dat goed te praten door hem af te schilderen als een humane slavenhouder, die in theorie liever vandaag dan morgen een einde maakte aan zijn eigen, moreel onaanvaardbare levenswijze, maar daar in praktijk om nooit helemaal opgehelderde redenen maar niet toe kwam. De afgelopen decennia is echter boven tafel gekomen dat Jefferson er niet voor terugdeinsde om weggelopen en teruggehaalde slaven publiekelijk te laten aftuigen en dat hij de mannen onder hen misbruikte voor zwaar lichamelijk werk in zijn spijkerfabriek. In 1998 werd na DNA-onderzoek bovendien aannemelijk dat hij in elk geval een kind (waarschijnlijk zelfs vijf) had verwekt bij een van zijn slavinnen, Sally Hemings.

Dat Jefferson zich in geschrift fel keerde tegen de vermenging van zwart en blank bloed maar desondanks een relatie had met `zwarte Sally', is voor Ellis en McCullough het zoveelste bewijs van zijn hypocrisie en verdorven karakter. Tussen wat Jefferson beweerde en wat hij deed bevond zich een gapende kloof. Dat was, schrijven beiden, juist het aantrekkelijke van Adams: hij was niet in staat om te liegen, leidde een deugdzaam leven en was net zo'n grote Amerikaanse patriot als Jefferson. Geen wonder dat Ellis en McCullough onlangs in Washington hebben gepleit een standbeeld voor deze miskende aartsvader op te richten – en geen wonder misschien dat op een symposium over Jefferson serieus is geopperd zijn gebeeldhouwde beeltenis van Mount Rushmore te verwijderen.

Toch is het de vraag of van beide projecten ooit iets terecht komt. Onder historici mag zijn reputatie dan een dieptepunt hebben bereikt, bij het grote publiek blijft Jefferson bekend en bemind als de schrijver van de Onafhankelijkheidsverklaring. Adams was weliswaar `de tong' van de onafhankelijkheid die Amerikaanse afgevaardigden met zijn meeslepende retoriek de weg wees naar de zelfstandigheid, maar Jefferson was `de pen'. En de pen bleek machtiger: Jefferson werd in het begin van de negentiende eeuw al elke vierde juli gelauwerd als de schrijver van dit heilige Amerikaanse document. Zo is het gebleven. De boeken van Ellis en McCullough veranderen daar natuurlijk niets aan.

Als de biografie van McCullough en de opstellen van Ellis iets bewijzen, dan is dat de hernieuwde populariteit van de eerste generatie. Founding Brothers staat al maanden op de bestsellerslijsten, John Adams is het best verkochte non-fictie boek in Amerika. Dat heeft zeker met de kwaliteit van beide boeken te maken: als historicus is Ellis een betrouwbare en elegante verteller, en McCullough geldt als een van de beste biografen van Amerika.

Beide boeken bewijzen zo dat de leiders van de Amerikaanse Opstand weer kunnen rekenen op belangstelling bij een breder publiek. Of, misschien: nog steeds. De sociale geschiedenis die sinds de jaren zestig op de historische faculteiten in Amerika in zwang was, werd zelden goed verkocht. De revisionisten die de geschiedenis van minderheden onder de aandacht wilden brengen, deden dat al die tijd vooral voor elkaar. Nuttig was hun werk wel. Ellis en McCullough doen er hun voordeel mee. De grondleggers van de Republiek worden nu, ontdaan van mythen en pretenties, aan hun nazaten gepresenteerd. Dat staat hun blijvende populariteit niet in de weg.

Joseph Ellis: Founding Brothers. Knopf, 288 blz. ƒ74,99 David McCullough: John Adams. Simon & Schuster, 751 blz. ƒ96,90