Wilde mobiliteit in Amsterdam

In de afgelopen tien jaar is tweederde van de Amsterdammers `vervangen', blijkt uit recent onderzoek. Deze wilde mobiliteit bedreigt de sociale cohesie in de hoofdstad. `Amsterdam is een doorgangsstad.'

Rondom Westerkerk en Beethovenstraat sterft het langzamerhand van de immigranten. Ze maken in die bemiddelde Amsterdamse buurten nu meer dan twintig procent van de bevolking uit. De theoretici én bestuurders, die zich om de multiculturele samenleving en haar inherente problemen bekommeren, zien hen vaak over het hoofd. Deze immigranten veroorzaken namelijk geen problemen. En succes is geen politieke categorie.

De voorspoed van Amsterdam als diensteneconomie plus enkele aantrekkelijke fiscale regels heeft een deel van deze probleemloze buitenlanders naar de hoofdstad gelokt. Het culturele klimaat (van Concertgebouw tot Ajax of coffeeshop) is soms het laatste zetje geweest. Hun aantal groeit. Deze rijkgeschakeerde `geïndustrialiseerde migranten' uit Europa, Azië, Australië of VS zijn in Amsterdam nu bijna net zo sterk als de Surinamers of de ruim 72.000 mensen tellende groep Ghanezen, Indonesiërs, Pakistanen en anderen in bijvoorbeeld de Bijlmermeer. Ze overvleugelen de 55.000 Marokkanen, die opschuiven richting Westelijke tuinsteden en in sommige wijken al een ruime meerderheid vormen, binnen Amsterdam zelfs moeiteloos.

Als deze ontwikkeling doorzet – dat zal cruciaal zijn – zullen de (quasi-)blanke migranten op afzienbare termijn de tweede plaats van de Surinamers overnemen. Want Surinamers beginnen Amsterdam juist langzamerhand de rug toe te keren. De reden? Hun voorzichtige succes. Het aantal Surinamers dat uit de stad vertrekt, is inmiddels anderhalf keer groter dan dat zich er vestigt. Vergeleken bij autochtonen (factor zeven) is het nog slappe thee. De sluipende suburbanisatie van de Surinamers is niettemin een trendbreuk die de razende mobiliteit van Amsterdam een extra dimensie geeft.

Twee statistische rapporten illustreren deze paradox van het succes. Begin deze maand publiceerde het bureau voor Onderzoek en Statistiek (O+S) voor het eerst zijn brede monitor De staat van de Stad. Gisteren verscheen, eveneens een primeur, de sociaal-culturele verkenning Nieuw Amsterdams Peil van het instituut SISWO voor maatschappijwetenschappen. Tussen een karrenvracht aan cijfermateriaal verschuilt zich een duizelingwekkende dynamiek.

Volgens O+S is de afgelopen tien jaar tweederde van de Amsterdammers ,,vervangen'. Deze beweging heeft ten dele te maken met het feit dat de stad twee universiteiten en verschillende hogere opleidingsscholen herbergt. Anders dan in vergrijzend en suburbaan Nederland zijn de jong volwassenen tussen 20 en 34 jaar in Amsterdam de grootste leeftijdsgroep gebleven. Maar relatief is hun aandeel teruggelopen, mede omdat studenten de rust en kwaliteit van de mensa in hun ouderlijk huis prefereren boven de onzekerheid van een stad waar ook nog eens te weinig geschikte huizen voor handen zijn. Gevolg? Amsterdam wordt in toenemende mate bevolkt door kleuters en mensen tussen 35 en 65 jaar.

Het eerste ligt voor de hand. Het `allochtone' geboortecijfer is afgelopen decennia gedaald, maar nog altijd hoger dan de gemiddelde 1,2 in Hollandse kring. De cijfers kruipen wel verder richting doorsnee, omdat de tweede generatie later trouwt dan de ouders.

Hier komt de groep ouder dan 35 jaar om de hoek kijken. Nu ziet de leeftijdsopbouw van de hoofdstedelijke bevolking er uit als een keurig gesnoeide spar. Alleen een uitstekende plukje rond 55 jaar (de geboortegolf) verstoort de logica enigszins. Over twintig jaar ziet de boom er uit als een getrimde conifeer met een puntig stammetje en navenante piek, voorspelt economisch geograaf prof. Rob van Engelsdorp Gastelaars van de Universiteit van Amsterdam.

Het is deze groep waarin zich de wilde mobiliteit voltrekt die O+S en SISWO beschrijven en de sociale samenhang beïnvloedt. De burger die succes en kinderen heeft, voelt zich namelijk nog steeds uitgedreven naar suburbania waar `huisjetuintje' wel beschikbaar is. Amsterdam heeft veel goedkope woningen (tweederde van de voorraad), waar armere nieuwkomers moeten en alleenstaanden met liefde wonen. Het gemiddelde woonoppervlak van 30 m2 per persoon mag tweeënhalf keer ruimer zijn dan in 1965, de middenklasse neemt er geen genoegen mee. En wat er aan de bovenkant beschikbaar is, wordt ingepikt door de nieuwe elite uit Nederland of den `geïndustrialiseerde vreemde'.

Het tempo waarin Amsterdam zichzelf momenteel vervangt, is volgens prof. John Mollenkopf – directeur van het Center for Urban Research in New York, gespecialiseerd in vergelijkend onderzoek tussen zijn eigen stad en Amsterdam en onlangs in Nederland op uitnodiging van het John Adamsinstituut - niet zonder risico's. ,,Tien jaar in één huis: dat wortelt en stimuleert de sociale cohesie. Elke stad heeft zijn eigen doorgangswijken. Maar Amsterdam is een doorgangsstad', aldus Mollenkopf.

Dat wordt mede veroorzaakt door het stedenbouwkundig denken, dat geen gelijk tred heeft gehouden met de nieuwe werkelijkheid. Het is nog kort geleden dat wethouder Duco Stadig (volkshuisvesting) openlijk is gaan hunkeren naar een nieuw Bloemendaal: een verlangen dat minister Pronk volgens Van Engelsdorp Gastelaars met diens ,,hekjes' om contouren van natuur en groen niet wil omarmen.

Dit gebrek aan realiteitszin kan leiden tot ,,crisisachtige toestanden', aldus Van Engelsdorp Gastelaars. Amsterdam is nu trots op de aanwezigheid van de hoofdkwartieren van banken of Philips en de komst van het opwindende internetbedrijf Cisco. Maar deze `harde functies' walsen óf over de hekjes van Pronk heen óf ze trekken zich terug. Ze kunnen zo weer weg naar Frankfurt of Londen, vreest hij. ,,Als deze bolwerken verdwijnen, gaan ook strijkers uit het Concertgebouw het hazenpad kiezen. Geen ramp maar wel statusdaling tot Helsinki-peil'.

Gerectificeerd

In de grafiek bij het artikel Wilde mobiliteit in Amsterdam (in de krant van donderdag 28 juni, pagina 3) is de legenda niet correct. De grafiek gaf het aantal kinderen tussen nul en vier jaar weer dat Amsterdam verliet. Rechtsboven de grafiek stond dat de lijn het `percentage van alle vertrekkers' verbeeldde. Dat moet zijn het `percentage van alle aanwezigen van nul tot en met vier jaar'. Het betekent bijvoorbeeld dat van alle Nederlandse kinderen in deze leeftijdscategorie, elk jaar tien procent naar buiten de stad verdwijnt. Over vijf jaar is derhalve zo'n veertig procent van alle Nederlandse kinderen uit de stad vertrokken, tegenover bijvoorbeeld tien procent van alle Marokkaanse kinderen.