Super-Indo op de avondmarkt

DEN HAAG. Het is bekend dat geuren soms de eigenschap hebben dat zij de grenzen van ruimte en tijd opheffen. Zo kan een geur functioneren als een klassieke tijd-/ruimtemachine. De zware geur van de rijpe doerian bijvoorbeeld, vervoerde me dinsdagavond in een fractie van een seconde van het Malieveld in Den Haag naar de Hero-supermarkt in de buurt van mijn vroegere huis in Menteng, Jakarta. En dat was ook de bedoeling want de vrucht werd verkocht op een van de kramen van de Pasar Malam Besar: de jaarmarkt voor iedereen die verwantschap voelt met Nederlands-Indië en Indonesië.

Het cliché-beeld dat de Pasar Malam een laatste oase is waar langzaam uitstervende Indische Nederlanders komen om zich te laven aan de opdrogende bron van een vergeeld verleden, dat beeld blijkt niet te kloppen. De Pasar is uitgegroeid tot een mega-event verspreid over een archipel van tenten en theaters, een wereld vol eigen geuren, geluiden, kleuren, spullen, ideëen, kortom: cultuur. Ook van Indo-cultuur met petjoh en krontjong. De term Indo, voor iemand van gemengd Indonesisch-Nederlandse afkomst, was lang beladen met racistische bijbetekenissen uit de koloniale tijd. Nu lijkt het meer dan ooit een geuzennaam.

Deze 43ste Pasar Malam heeft als thema `Indisch na Indië', en uit de felle reacties in een gastenboek valt op te merken dat veel bezoekers hun Indo-identiteit koesteren. Er is natuurlijk knarsetandende woede van de ouderen over het zogeheten `Indisch Gebaar', de relatief karige tegemoetkoming voor het `kille, bureaucratische en formalistische beleid van voorgaande Nederlandse regeringen' (zoals de tekst van de officiële folder luidt) ten aanzien van met name de Indo's. Maar er zijn tegenwoordig ook jongeren die haast militante geluiden laten horen. Zoals een student uit Nijmegen vorig jaar in het partij-orgaan van de VIP, de Vrije Indische Partij: ,,Daarom pleit ik ervoor dat ALLE derde generatie Indische jongeren één Indische vuist moeten vormen tegen het uiteenvallen van de Indische gemeenschap door onze cultuur te herdefiniëren en een volwaardige plaats te geven in onze hedendaagse maatschappij.'' Dat het om een niet onaanzienlijke bevolkingsgroep gaat, zou kunnen blijken uit de aanwezigheid op de Pasar Malam van de Indonesische televisiezender CTN Televisi Indonesia, die dit najaar in Nederland met een commercieel kanaal wil beginnen op de kabel en denkt dat er één miljoen Nederlanders zijn ,,die hun roots in Indonesië hebben liggen''.

Dit alles is opmerkelijk omdat het afwijkt van de gangbare gedachte dat de Indische Nederlanders in de jaren vijftig en zestig ,,geruisloos'' zijn opgegaan in de Nederlandse samenleving. En dat moet een tegenvaller zijn voor aanhangers van de neo-natiestaat. Dat wil zeggen: diegenen die het concept van een monocultureel Nederland propageren als middel om sociale problemen op te lossen die het gevolg zijn van mislukte pogingen om groepen migranten op te vangen die de afgelopen decennia naar Nederland kwamen. Paul Scheffer deed dit vorig jaar bijvoorbeeld met zijn ophefmakende artikel over het `Multiculturele drama'. Het ,,multiculturalisme'' is gemakzuchtig en integratie met behoud van identiteit ,,een vrome leugen''. Wat er precies voor in de plaats moet komen is evenwel niet duidelijk. De helderste beleidsaanbeveling van Scheffer luidde: ,,Laten we eens beginnen om de Nederlands taal, cultuur en geschiedenis veel serieuzer te nemen.'' En, zo bedoelde hij, die de nieuwkomers bij te brengen.

Nu emigreerden mijn grootouders begin vorige eeuw uit Nederland naar Nederlands-Indië. Mijn moeder werd daar geboren, maar keerde terug naar het Nederland om met mijn vader in de jaren vijftig naar Australië te vertrekken, waar ik werd geboren. Maar begin jaren zestig remigreerde het gezin weer. Kortom, ik ben afkomstig uit een doorsnee migrantenfamilie, maar ik geloof niet in het negentiende-eeuwse recept dat Scheffer voorschrijft om de ,,ernstige bedreiging voor de maatschappelijke vrede'' af te wenden.

Wat mijn beheersing van de Nederlandse taal betreft, krijg ik weinig klachten. Maar dat de taal het wondermiddel is waarmee alle integratieproblemen worden opgelost, is een geloof dat vooral in Nederland veel aanhangers heeft. De veel grotere integratieproblemen in Frankrijk met jongeren van Algerijnse komaf, die vaak uitstekend Frans spreken, wijzen op het relatieve belang van taal in dit verband.

Als het gaat om de cultuur die serieuzer moet worden genomen, is het de vraag welke Nederlandse cultuur Scheffer op het oog had. Die van het Rijksmuseum of van, pakweg, de gemeente Putten? Zelden heb ik me verder van huis gevoeld als bij een vergadering van SGP-mannenbroeders in die plaats over de vraag of de vrouw op grond van de bijbel kiesrecht toekomt (het antwoord luidde ontkennend). Iets dergelijks geldt voor het geloof dat integratie vergemakkelijkt wordt door kennis van de vaderlandse geschiedenis.

Zoals de Groningse hoogleraar sociale- en cultuurfilosofie René Boomkens eerder dit jaar betoogde in zijn oratie (afgedrukt in het aprilnummer van De Gids), meent Scheffer abusievelijk ,,dat nieuwe groepen vreemdelingen in Nederland slechts succesvol kunnen integreren indien zij worden geconfronteerd met een Nederlandse cultuur die een duidelijke coherentie en een stabiele traditie vertoont''. Als er van die coherentie en traditie al sprake zou zijn – wat ik niet geloof – dan vormt het voorbeeld van de hardnekkige weigering van Indische Nederlanders op de Pasar Malam om te integreren wel het bewijs, dat die confrontatie niet helpt integreren. En zij waren pas de eerste groep migranten die na de Tweede Wereldoorlog naar Nederland kwamen.

Dinsdag, aan het eind van de avond, als ik de Pasar verlaat, bots ik bijna tegen een jongen aan met een zwart t-shirt. Het opschrift luidt `Ik ben een Super-Indo'. Hij ziet er niet dramatisch uit.