Snel minder landbouwbedrijven

Het aantal landbouwbedrijven neemt in steeds sneller tempo af. Dat is een van de conclusies van het jaaroverzicht van het Landbouw-Economisch Instituut (LEI). Voor het eerst ligt het aantal boerenbedrijven in Nederland onder de 100.000. De totale landbouwproductie daalde niet of nauwelijks, doordat de bedrijven die overblijven steeds groter worden. Het aandeel van de biologische landbouw is met enkele procenten nog steeds marginaal.

Volgens Huib Silvis, redacteur van het jaarverslag, past de daling van het aantal boerenbedrijven in een trend. In voorgaande jaren is het aantal bedrijven dat stopt, opgelopen van iets meer dan 2 procent tot 5,5 procent dit jaar. De daling van het aantal bedrijven wordt vooral veroorzaakt door boeren die vrijwillig stoppen, niet door faillissementen. Silvis vermoedt dat het nieuwe belastingstelsel het aantal opheffingen heeft vergroot: ,,In het nieuwe stelsel is het makkelijker om je bedrijf te verkopen.''

Tegenover het dalend aantal boeren staat een forse groei in de omvang van de resterende bedrijven. `Grote' bedrijven (met een jaarlijkse productiewaarde van meer dan 300.000 gulden) vertegenwoordigen inmiddels 64 procent van de totale productie van land- en tuinbouw, tegen 35 procent in 1990.

Volgens Silvis is de trend in de landbouw nog steeds een van ,,grotere efficiëntie'' en ,,technologisering''. Hoewel het aantal biologische bedrijven gestaag toeneemt, is hun aandeel in de productie nog steeds marginaal met ongeveer 1,5 procent. De `buitengrondse tuinbouw' kent de grootste biologische productie, 3 procent. In oppervlakte van het landbouwareaal uitgedrukt is het de biologische veehouderij het grootst.

De inkomensontwikkeling in het jaar 2000-2001 was voor alle sectoren in de land- en tuinbouw gunstig, aldus het LEI. Koploper was de tuinbouw, en vooral de glastuinbouw. Maar ook de intensieve veehouderij zag de inkomsten stijgen. Of deze stijging zich ook in de volgende jaarraportage zal voortzetten is nog ongewis. In de rapportage is nog geen rekening gehouden met de gevolgen van de mond- en klauwzeercrisis.