Rechter en hoofddoek

VAN DELDEN, het hoofd van de `kwartiermakers' voor de nieuwe bestuursorganisatie van de rechtspraak, maakt zich zorgen over het aantrekken van allochtonen bij de rechterlijke macht. ,,Hoe kun je je als rechterlijke macht opener opstellen, duidelijker maken dat allochtonen welkom zijn'', zo verzucht hij in een gesprek met het blad Mr. De commissie gelijke behandeling heeft hem een helpende hand toegestoken. Hulpgriffiers moeten bij hun toga een hoofddoek kunnen dragen, zegt de commissie in de beslissing op een klacht van een sollicitante van islamitischen huize die door de rechtbank Zwolle was afgewezen.

Rechterlijk personeel draagt volgens de wettelijke reglementen een toga met bef. De voorschriften voorzien alleen in een baret bij hoogtijdagen. Dit moet de onafhankelijkheid van de rechtspraak tot uitdrukking brengen. Het gaat de commissie om de vrijheid van godsdienst. Zij erkent overigens dat van directe gosdienstdiscriminatie geen sprake is – de kledingsvoorschiften gelden voor iedereen – maar de rechtbank heeft volgens haar wel op indirecte wijze een ongerechtvaardigd onderscheid gemaakt.

Opmerkelijk afwezig in de uitspraak is de scheiding van kerk en staat. Toch is deze bij uitstek van betekenis voor de onafhankelijke rechtspraak. Vormelijkheden spelen daarbij een grote rol, zoals het federale hooggerechtshof in de VS in 1971 opmerkte. Dit land vervult als spreekwoordelijke `melting pot' van uiteenlopende culturen en religies een voorbeeldfunctie. Het hooggerechtshof heeft de verhouding tussen kerk en staat vergeleken met een `menuet' waarin vorm en stijl een speciale betekenis hebben voor de inhoud. De raadsman die als priester gekleed de rechtszaal betrad omdat hij ook een geestelijke was, kreeg in 1975 resoluut het lid op de neus.

AAN HET SYMBOLISCHE aspect van de scheiding van kerk en staat gaat de commissie gemakshalve voorbij. Dat een hulpgriffier geen rechter is, mag waar zijn. Maar hij of zij zit wel met de rechters achter de groene tafel en bepaalt zo mede het beeld van de rechtspraak. Dan moet de rechtszaal maar anders worden ingericht, vindt de commissie. Maar dat oordeel gaat de gelijke behandeling te buiten. Onbekommerd noteert de commissie verder dat sommige rechters, bijvoorbeeld in familiezaken, de toga toch al uittrekken. Afgezien van de vraag of deze commissie de aangewezen instantie is rechterlijke methoden op hun waarde te schatten, is er nog wel enig verschil tussen een burgerpak en een nadrukkelijk als religieus gepresenteerd kledingstuk.

Juist deze nadrukkelijke connotatie met een godsdienst die de scheiding tussen kerk en staat principieel verwerpt, maakt dat de rechterlijke macht nog maar eens tweemaal moet nadenken over het advies van de commissie gelijke behandeling.