Managementdenken dreigt onderwijs te vermorzelen

Naast een flinke salarisverhoging krijgen Nederlandse leraren straks ook te maken met grotere autonomie van scholen. Volgens Ton van Haperen zal dit slechts leiden tot meer management en minder onderwijs. Binnen een decennium zal de ooit voor iedereen herkenbare middelbare school hebben plaatsgemaakt voor een logge, bureaucratische instelling.

Het onderwijs haalde onlangs uitgebreid het nieuws met het onverwachte akkoord tussen de vakbonden en minister Hermans. Na twintig jaar duisternis zien leraren eindelijk licht aan het eind van de tunnel. Kranten schrijven over loonsverhogingen van in enkele gevallen soms zestien procent. Hier gaat een wervende werking vanuit die vele malen groter is dan fletse reclamespotjes. De minister verdient hiervoor dan ook alle lof.

Maar op de achtergrond speelt iets anders. Verhoging van vrij te besteden schoolbudgetten en verruiming van de decentrale beleidsruimte vormen een substantieel deel van het akkoord. Daarnaast verschijnen voortdurend studies en rapporten met oproepen tot verandering, want dat er meer mis is dan de hoogte van de lerarensalarissen is inmiddels wel duidelijk.

Onlangs liet de door het ministerie in het leven geroepen denkgroep-Houben bescheiden van zich horen. Volgens Houben moet een middelbare school minimaal 2.500 leerlingen hebben. Pas vanaf die schaal kan de minimale variëteit in lesprogramma's worden gegarandeerd. Nog maar een half jaar geleden sprak hoogleraar In't Veld zich eveneens uit over deze materie. Op uitnodiging van het organisatiebureau McKinsey kwam hij met een heel ander getal op de proppen: een school mag niet meer dan vierhonderd leerlingen bevatten en leraren moeten in een maatschap, zodat hun betrokkenheid toeneemt. Over de ideale schaal voor voortgezet onderwijs bestaat kennelijk onenigheid, het is de tegenstelling tussen groot en klein, variëteit en zorg, anonimiteit en betrokkenheid.

Helaas valt in de huidige praktijk niet veel meer te kiezen en kan met name het verhaal van In 't Veld worden afgedaan als vrijblijvend. Binnen het bekostigingsstelsel worden scholen vanzelf groter. De schaal is geen zaak van ouders, schooldirecties of politiek, maar van samensmeltende besturen, vaak geconcentreerd in één bepaalde regio.

Een professioneel bestuurder houdt zich bezig met beleid en beheer. Hij kijkt naar het gekrioel onder zich, ziet instellingen met een eigen historische achtergrond, in een onderlinge verhouding die zich het best laat vergelijken met los zand. Dit laat hij niet over zijn kant gaan. Het reorganisatiemodel is eenvoudig. Neem een willekeurige stad, inventariseer de scholen, plaats er een centrale directie boven en het grote afstemmen kan beginnen: onderbouw apart, bovenbouw opsplitsen in studiehuis en voorbereidend beroepsonderwijs, wat voorzieningen voor moeilijke gevallen en het geheel staat op de wagen.

Over tien jaar heeft een gemiddelde stad hooguit twee middelbare scholen. Politici rechtvaardigen dit soort ontwikkelingen met de term marktwerking, terwijl de markt juist wordt vernietigd. Voor de consument blijft niks te kiezen over. Bovendien krijgt diezelfde consument een slechter product. Het autonome schaalvergrotingsproces is namelijk slecht getimed. Twintig jaar armoede heeft zijn sporen nagelaten. Een gemiddelde school vertoont sterke gelijkenis met een oude piano vol houtworm. Een lichte aanraking van de toetsen is voldoende om de boel in elkaar te laten donderen. Vervelend, want er is wel elke dag een voorstelling.

Naast de erosie in het huidige onderwijs zijn er ook kwalitatieve argumenten om met het reorganisatieproces pas op de plaats te maken. Werken op grotere schaal betekent arbeidsverdeling en uitbreiding van management. Een concreet voorbeeld: een willekeurige conrector deed een jaar of vijf geleden het rooster, was secretaris van het eindexamen, gaf wat lessen, had een afdeling onder zijn hoede en was beleidsmakend. In een grote organisatie doet hij alleen nog het laatste. De andere taken gaan naar leraren, die in ruil daarvoor zijn vrijgesteld van een aantal lessen. Een kwaliteitsimpuls is dit niet altijd. De conrector heeft de handen vol aan orde scheppen in de chaos onder en boven hem. De dingen waar hij goed in is doen nu mensen die dat nog moeten leren en dat gaat met vallen en opstaan.

Fouten bij roosters en examens veroorzaken echter wel stress. Een ander negatief bijeffect is dat meer management ertoe leidt dat de vrijkomende lessen moeten worden verzorgd door leraren die er niet zijn. Bovendien veroorzaakt de nieuwe hiërarchie baantjesjagerij en afgunst onder collegae die al jaren met elkaar opgescheept zitten. Kortom, de onrust groeit, de aandacht voor leerlingen neemt af en de status van het werk voor de klas daalt. Schaalvergroting en managementdenken hebben de prioriteiten van scholen op zijn kop gezet.

Professor Kol schreef onlangs in de Volkskrant dat uit wetenschappelijk onderzoek blijkt dat de bijdrage van management aan het bruto nationaal product nihil is. Zijn artikel had als onderwerp de exorbitante beloning van topmanagers, werkzaam in het bedrijfsleven. De bestuurlijke elite in het onderwijs heeft geen bedrijfsmatige achtergrond en bestaat grotendeels uit mannen van boven de vijftig met een lerarenverleden. Hun managementkwaliteiten zijn bescheiden. Of meer geld in de vorm van grotere schoolbudgetten dan ook enig positief effect zal hebben valt te betwijfelen.

Mensen moeten doen waar ze goed in zijn. Scholen kunnen uitstekend onderwijs verzorgen. Buitenproportionele aandacht voor sturing leidt daarbij af. Toch neemt het belang toe omdat de huidige bekostigingsstructuur dwingt tot schaalvergroting. De minister lijkt blij te zijn met deze ontwikkeling en het rapport van de denkgroep Houben versterkt waarschijnlijk zijn vreugde. Een beetje misplaatst is dat wel.

Houben is voorzitter van het college van bestuur van Fontys, een grote HBO-instelling. Een middelbare school is echter iets heel anders. Ouders en leraren zien daar kinderen doorgroeien tot bijna volwassenen, in misschien wel de meest kwetsbare periode in een mensenleven. Vandaar dat veiligheid, zorg, herkenning, uniforme leerdoelen en gezelligheid van groter belang zijn dan variëteit en optimale benutting van specifieke individuele capaciteiten.

Deze verschillen krijgen in het vervolgonderwijs de aandacht die ze verdienen. Een open en brede discussie over dit onderwerp bestaat niet, terwijl het point of no return met rasse schreden nadert. Op deze manier doorgaan betekent dat het voortgezet onderwijs in Nederland over een decennium gedomineerd wordt door een beperkt aantal logge, hiërarchische instellingen, waar het werk voor de klas nog maar weinig aanzien geniet.

Ton van Haperen is leraar economie in het voortgezet onderwijs.