Jezus' wederopstanding 4

De Engelse lekentheoloog C.S. Lewis merkte ooit op er slechts drie opvattingen over de persoon van Jezus van Nazareth bestaan die intern consistent zijn: Jezus was ofwel een idioot, of een gevaarlijke bedrieger, of hij is werkelijk degene die hij zei te zijn, namelijk de Zoon van God. Nu vindt men in de wereldliteratuur nog een vierde opvatting, namelijk dat Jezus een heilig man of een belangrijke profeet was. Dit is het beeld van Jezus dat men aantreft in de koran. Opmerkelijk genoeg is dit beeld van Jezus als groot profeet ook het beeld van Jezus zoals dat oprijst uit de getuigenissen van zijn volgelingen in de evangeliën. Het is het beeld van Jezus zoals dat oprijst uit de opmerkingen over Hem gemaakt door Zijn volgelingen vóórdat ze daadwerkelijk met de wederopgestane Christus geconfronteerd worden.

Wanneer Jezus aan Petrus vraagt wie zijn volgelingen menen dat hij is, antwoordt deze: ,,Sommigen zeggen: Johannes de Doper; anderen: Elía; nog anderen: Jeremia, of één der profeten'' (Matthëus 16:17). De Emmaüsganger Cleopas omschrijft Jezus als ,,een profeet, machtig van daden en woorden, voor God en al het volk'' (Lukas 24:19). Het lijkt opmerkelijk dat Cleopas deze opmerking maakt in het volle besef van het lege graf. Maar zoals Johannes aangeeft, deed de aanblik van het lege graf ook bij Petrus nog niet het besef doorbreken dat Christus waarlijk was opgestaan (Johannes 20:9). Dat mag overigens op dat moment geen verbazing wekken, omdat Petrus immers in Jezus vooral een aardse Verlosser zag. Pas in confrontatie met de herrezen Christus kwam ook Petrus tot een werkelijk geloof.

Het is moeilijk de betekenis te overschatten van de confrontatie van de volgelingen met de wederopgestane Christus. Evenals ds. Ter Linden nu zullen ook zij destijds tot aan de ontmoeting met de herrezen Christus geworsteld hebben met hun twijfels. Maar het zekere besef dat Jezus waarlijk is opgestaan, deed zelfs de spreekwoordelijk ongelovige Thomas van zijn ongeloof vallen.

De vroegste christenen waren niet de idioten waar Philipse over spreekt. Het waren inderdaad eenvoudige mensen: vissers, timmermannen, tollenaars. Maar gek waren zij niet. Hun goed gedocumenteerde ongeloof pleit hen van die aanklacht vrij. Ook zij geloofden aanvankelijk niet wat voor Philipse nu nog ongelooflijk is. Het staat vast dat zij in die aprilmaand van 33 iets gezien hebben dat zo uitzonderlijk was, dat zij daarvan zelfs tegen de scepsis van betweters als Philipse in durfden te getuigen. Anders dan Philipse ben ik geneigd hen op hun woord te geloven.