Intellectuelen zijn hollandocentrisch

Eén ding hebben recentelijk geuite sombere visies over de teloorgang van de beschaving gemeen: iedereen krijgt de schuld van het verval, behalve de Nederlandse intellectuelen zelf, meent Bastiaan Bommeljé.

Het is een opluchting dat de Stichting `Stop de uitverkoop van de beschaving', vlak voor het debat in Amsterdam over haar manifest, duidelijk heeft gemaakt wat zij bedoelt met `de beschaving' die zij wil redden (NRC Handelsblad, 9 juni). Nu ja, zij doet althans een poging het ,,niet eenduidige'' begrip beschaving te verhelderen met de woorden: ,,Wellicht is de omschrijving van de Engelse auteur T.S. Eliot bruikbaar.''

Wellicht is dat zo. Wellicht klinken zijn naam en zijn opvatting (beschaving is een kwestie van mind, manners and language) zelfs nogal chic. Maar wellicht is de keuze voor de beschavingsvisie van T.S. Eliot toch niet erg gelukkig. Wellicht weten bestuursleden van de stichting niet dat deze dichter en criticus een rabiate antisemiet was en een virulent vrouwenhater, een uitgesproken reactionair wereldbeeld had en zich liet kennen als een fundamentalistisch (Anglicaanse) christen. Dat alles doet niets af aan de indringendheid van zijn poëzie, maar dat Eliot de wereld verachtte en haar geenszins wilde redden, staat wel vast. Zijn biografe Lyndall Gordon noemt hem in haar bewonderende T.S. Eliot: An Imperfect Life (1999) behalve ,,antisemitisch'' en ,,vervuld van obsessieve haat'' ook nog ,,cruel, dishonest, nasty, calculating''. Precies iemand om de uitverkoop van de beschaving te stoppen, wat u zegt.

Daarbij komt dat de ,,Engelse auteur'' Eliot in werkelijkheid uit de Verenigde Staten kwam, waar hij in 1888 werd geboren in St. Louis en opgroeide in Massachusetts. Pas in 1927 – vijf jaar na de publicatie van zijn The Waste Land – werd hij Brits staatsburger. Eliot kwam dus uit precies hetzelfde Amerika vanwaar ,,de laatste tijd'' zo een ,,ongelofelijke, niets en niemand ontziende inhaligheid is overgewaaid'', als we Rudy Kousbroek mogen geloven (NRC Handelsblad, 8 juni). Volgens hem is ,,de bedreiging van de Europese cultuur geen hersenschim'', en ,,het gevecht ertegen is menens''.

Gelukkig hebben ,,Amerikanen vaak moeite met het duiden van signalen uit het buitenland'', weet Kousbroek, dus wat dat betreft zijn wij niet kansloos in de nakende cultuuroorlog. Ik zal mij hier niet afvragen of Kousbroek in zijn kruistocht tegen de ,,dramatische consequenties'' van de ,,invasie van commercialiteit'' niet enigszins commercialisering, globalisering, internationalisering, massalisering, acculturatie en enculturatie door elkaar haalt – want allen die hem niet begrijpen zijn blijkbaar ,,imbecielen'' die ,,meehuilen met de managers'' en wier kritiek voortkomt uit ,,grote karakterloosheid''. Wellicht heeft hij zelfs gelijk met zijn slotsom dat ,,de enigen die [...] tenminste een beetje verzet hebben geboden'' tegen de Amerikaanse inhaligheid ,,de Fransen'' zijn. Hij bedoelt hier zonder twijfel de Fransen die thans verbijsterd kennisnemen van de jarenlang ongeremd voortwoekerende corruptie en geldzucht van de hoogste kringen in hun samenleving.

Misschien ligt de oplossing van het raadsel in een ,,groter verhaal'', zoals Elsbeth Etty in deze krant oppert in een reeks retorische vragen (NRC Handelsblad, 9 juni). Zou achter de ,,ondergang van de democratie zoals wij deze hebben gekend sinds de invoering van het algemeen kiesrecht'' misschien iets schuilgaan als ,,de pendulebeweging van (nationale) democratie naar (internationale) oligarchie'', piekert zij. Tsja, misschien is dat zo, als je meent dat Nederland het centrum van de wereld is, en even vergeet dat in een groot deel van Europa ,,het algemeen kiesrecht'' pas enkele jaren geleden werd ingevoerd, terwijl een groot deel van de wereld daar nog altijd op wacht.

Hoeveel cultuurkritiek kan men verdragen zonder giechelig te worden? Toch raken we hier aan de kern van hetgeen al deze ondergangsgedachten verbindt: ze zijn zo hollandocentrisch als de pest, terwijl geen enkele moeite wordt gedaan de kwalen van onze samenleving te begrijpen als voor een aanzienlijk deel typisch Nederlands. Want is het de schuld van de commercie of van Amerika dat juist Nederlandse doctorandussen al jarenlang het slechtst van alle kandidaten scoren bij de examens voor Europees ambtenaar, wegens hun geringe taalvaardigheid buiten het Engels en hun gebrek aan geschiedkundige kennis? Is het te wijten aan de inhaligheid van managers of de perfide commercialiteit uit de VS dat volgens UNESCO-cijfers juist Nederlandse middelbare scholieren wat betreft leesvaardigheid ver achterblijven bij leeftijdgenoten uit omringende landen? Hebben optieregelingen of Walt Disney-films iets te maken met het feit dat Nederlandse studenten als favoriete – en vaak enige – lectuur Metro en de Sp!ts hebben?

Het antwoord is uiteraard: neen. Dit soort problemen zijn voor een aanzienlijk deel terug te voeren op het falen van Nederland – en in het bijzonder van de Nederlandse intellectuele elite – zelf. Door een toeval was ik onlangs binnen niet al te lange tijd zowel op de universiteit van Cambridge als op de Universiteit van Ljubljana, de één rijk en oud, de ander arm en recentelijk herboren na de onafhankelijkheid van Slovenië. Wat de studenten in beide extreme polen van de `bedreigde Europese beschaving' verbond, was een grote dorst naar kennis, intellectuele vitaliteit en culturele nieuwsgierigheid. Hier was helemaal niets te merken van de ontbinding der beschaving. Hier klonk geen geweeklaag over de taal die `verzakelijkt' en `trivialiseert'.

In Ljubljana begonnen de eerste colleges om acht uur 's ochtends en hielden de laatste in de loop van de avond op. In Cambridge dienen de studenten elke week een paper te produceren met relevante inhoud. In Nederland is de gemiddelde studielast in veel alfa- en gammastudies (inclusief Rechten) daarentegen nauwelijks twintig uur per week. Men hoeft niet te vragen wie na vier jaar het meest heeft opgestoken. In een poging bij te blijven, gaan de Nederlandse universiteiten het `Angelsaksische' bachelor/mastersmodel invoeren, maar helaas zonder twee cruciale elementen. Het eerste cruciale element is dat van selectie der studenten, de schifting van degenen die meewaaien om inhalig manager te worden, en degenen die misschien slimmer kunnen worden dan hun hoogleraar. Het tweede cruciale element is dat in het echte Angelsaksische model diezelfde hoogleraar verantwoordelijk wordt geacht voor degene die hij selecteert voor de mastersfase of uitnodigt voor een PhD. Professoren die een verkeerde keuze maken of falen in de begeleiding worden daar zwaar op aangekeken.

Nederland kiest dus het universitaire model zonder verantwoordelijkheid en zonder frustratie. Nederland doet dit met open ogen, zoals Nederland er ook voor heeft gekozen het laatste decennium vijftien procent minder dan het Europese gemiddelde te besteden aan lager onderwijs. Het is derhalve wellicht geen toeval dat in het Nederlandse culturele klimaat een gebrek aan intellectuele helderheid en een gebrek aan zelfkritiek is gaan woekeren. Het is wellicht ook geen toeval dat terwijl in Nederland de opiniebladen en kranten gebukt gaan onder dalende oplages, in Engeland een highbrow blad als Times Literary Supplement thans het grootste aantal abonnees uit zijn geschiedenis heeft.

Niemand zal menen dat de optieregelingen van managers een verrijking van de Nederlandse beschaving betekenen, maar helaas geldt datzelfde voor de cultuurkritiek die nu alom klinkt. Deze komt voort uit een klasse die ongetwijfeld goed werd opgeleid en welbespraakt is, maar evident lijdt aan culturele gemakzucht. Het is deze klasse van `nieuwe intellectuelen' die Irving Kristol in november 1972 – dertig jaar geleden dus – in Commentary, het blad van de gedesillusioneerde Amerikaanse radicalen van voor de oorlog, reeds zag opdoemen in de Verenigde Staten.

,,Het probleem is'', betoogde hij, ,,dat onze samenleving meer en meer `intellectuelen' kweekt en steeds minder gewone mensen. Westerse landen hebben nu een grote groep mensen die van zichzelf denken dat ze intellectueel zijn, hoewel ze intellectuele kenmerken volstrekt missen (en vaak zelfs geen enkele intellectuele competentie bezitten).'' Ze hebben zich, zo mopperde hij verder, slechts de houding, de symboliek en de taalcodes eigen gemaakt die voorheen onder intellectuelen gangbaar waren. Tot die symbolische hulpmiddelen behoren cultuurkritiek en ondergangsretoriek.

Wellicht legt Kristol hier ook een vinger op de Nederlandse wond. Zo blijkt van gene zijde van de oceaan niet de invasie van commercialiteit ons te bedreigen, maar de opkomst van de `nieuwe intellectueel' die praat zonder te denken en schrijft zonder te onderzoeken. Het heeft er alles van dat de huidige zorg om `de beschaving', zoals ook verwoord in deze krant, geen balsem is tegen, maar een symptoom blijkt van de ont-intellectualiserende samenleving. Ik bedoel een samenleving die meent dat het belangrijkste wereldnieuws bestaat uit het rondlopen van dikke meisjes in het land (NRC Handelsblad, 9 juni).

Bastiaan Bommeljé is uitgever en historicus.