Hier heeft gewoond

Het Catshuis in Den Haag, sinds 1963 ambtswoning van de minister-president, heeft een tegenhanger in Brouwershaven op Schouwen-Duiveland: het `Ouderhuis van Jacob Cats'. In dit fraai gerestaureerde pand met trapgevel bracht de volksdichter, boer, ontginner, advocaat en staatsman zijn jeugd door, maar hij is er niet geboren. Elders in het oude stadje, vlakbij de St. Nicolaaskerk, sloeg hij voor het eerst zijn ogen op, in een huis dat allang is gesloopt. Wel staat er op de Markt nog een standbeeld, in 1829 opgericht `ter nagedagtenis van Jacob Cats, geboren te Brouwershaven 1577, overleden te 's Gravenhage 1660'.

Als dichter is Cats ongekend populair geweest. Zijn verzameld werk had ooit de bijnaam `boerenbijbel' en stond volgens de overlevering in zowat alle huisgezinnen naast het echte Woord Gods. Maar ook verguizing was ruimschoots zijn deel. Potgieter en Busken Huet hadden in de 19e eeuw geen goed woord voor hem over. ,,Al hetgeen er onhebbelijks wezen mag in onzen landaard is weleer vleesch geworden in den persoon van Jakob Cats'', schreef de laatste, doelend op eigenschappen als geldzucht en moralisme. ,,Kinderen hinderen...'', had Cats eens verzucht. De man was blijkbaar zijn eigen kinderjaren, daar in Brouwershaven, vergeten. En een smaakbederver was hij ook.

,,Wil de laatste Nederlander opstaan die in het eindeloze werk van Jacob Cats nog een sprankje poëzie ziet?'' vroeg Gerrit Komrij in zijn rubriek Trou Moet Blijcken in NRC Handelsblad. Ook hij memoreert veel lelijks over de volksdichter, maar wil niettemin voor laatste Nederlander spelen. ,,Er moeten in zo'n omvangrijk oeuvre toch een paar aardige versjes staan? Nou, die staan er ook in!''

Wat evenmin te ontkennen valt, is dat Cats een veelzijdig man is geweest. Hij was enige tijd advocaat in Den Haag, keerde naar Zeeland terug om land te ontginnen en te bewerken, was pensionaris van Middelburg en Dordrecht en werd ten slotte geroepen tot het hoogste ambt in de republiek, dat van raadpensionaris.

In 1651 ging hij met pensioen en trok hij zich als Grootzegelbewaarder, maar verder ambteloos, terug op zijn landgoed Sorghvliet in Den Haag, tegenwoordig bekend als het Catshuis. Daar is hij op 12 september 1660 gestorven.