Het einde van de slaoliestijl

Muren met Hertshoorntorren, tulpvormige kandelaars en strakke boekbanden. In het Techniek Museum in Delft is een expositie te zien over de kenmerkende stijl van de Delftse Art Deco.

Jugendstil heette het in Duitsland. In het Spanje van Gaudí sprak men van Modernisme. Italianen gaven de voorkeur aan de term Stile Liberty. En in Nederland stond de rond 1880 opkomende Art Nouveau ook wel bekend als `de slaoliestijl'. Dat weinig verheffende predikaat was ingegeven door het affiche dat Jan Toorop in 1894 maakte voor de Nederlandsche Slaolie Fabrieken in Delft. De poster met olie gietende vrouwen in exotische gewaden en met haar dat als een waaier over het papier krult, drukte een vroege stempel op de Nederlandse beleving van de nieuwe stijl.

De Nederlandse Art Nouveau dankt misschien zijn naam aan Toorop, maar de schilder was zeker niet de drijvende kracht erachter. Het was een drietal vrijwel onbekende docenten van de Delftse Polytechnische School, Adolf Le Comte, Karel Sluyterman en Bram Gips, dat de stille motor vormde. Tot voor kort werden ze gezien als niet meer dan overgangsfiguren tussen de negentiende-eeuwse neostijlen en de Nieuwe Kunst, maar de tentoonstelling `Delftse Art Nouveau, onderwijs en ontwerp 1880-1914' laat zien dat het trio gebruiks- en kunstvoorwerpen maakte met een duidelijk eigen karakter. Door hun bijna vijftig jaar durende verbondenheid aan wat later de Technische Universiteit Delft werd, oefenden ze bovendien een niet te onderschatten invloed uit op tal van jonge kunstenaars en ontwerpers.

De kracht van de Delftse docenten school grotendeels in hun experimenteerzin. Zo ontwikkelde Le Comte rond de eeuwwende het sectiel aardewerk waar hij indrukwekkende tegeltableaus mee maakte. De tegels zijn niet gebonden aan een strenge, vierkante vorm, maar zien eruit als onregelmatige puzzelstukken die sierlijk meebuigen met de contouren van de afgebeelde figuren. Het lijkt op glas-in-lood in keramische vorm.

Het pronkstuk De Lusthof, te zien bij de ingang van de tentoonstelling, leverde Le Comte medailles op tijdens de Parijse wereldtentoonstelling in 1900 en twee jaar later in Turijn. Die prijzen moeten vooral gezien worden als beloning van de revolutionaire techniek, want de voorstelling is nog traditioneel. De afgebeelde dames staan in een Italianiserend landschap dat regelrecht geënt is op de meesters van de Gouden Eeuw. Alleen aan de details een krullerige schenkkan, een halsketting, de houding van de dames is af te lezen dat het werk uit 1900 stamt.

In zijn andere aardewerk was Le Comte een stuk minder conventioneel. Hij experimenteerde met tinglazuur en metaaloxide. De vazen die hij maakte in donker, van Hollandse klei gemaakt Jacoba aardewerk, zijn bijzonder expressief in hun grove, sobere afwerking. De afbeeldingen van maskers op zijn potten in ongeglazuurd Porselein-biscuit, ook een eigen uitvinding, ogen bijna kubistisch. En ook het centrale trapraam dat Le Comte in 1913 ontwierp voor het Haagse Vredespaleis moet in zijn tijd zeer modern zijn geweest. De op werkelijke schaal afgebeelde ontwerptekening die in Delft te zien is, toont `Vrede op aarde' belichaamd door Le Comte's dochter en vaste model Lotje, die met haar kunstig gevouwen hoedje en gestileerd geplooide gewaad het toonbeeld is van Art Nouveau.

Toch is Le Comte, de oudste van de drie Delftenaren, altijd met één been in de negentiende eeuw blijven staan. De Hollandse meesters waren zijn belangrijkste referentiepunt en hij had een grote voorliefde voor optimistische, typische neo-renaissance thema's als `jeugd', `lente' en `dageraad'. Le Comte's jongere collega's Sluyterman en Gips begonnen ook als trendvolgers, zoals bijvoorbeeld goed te zien is aan de wanddecoratie die Gips in 1886 maakte voor een balzaal waarin hij letterlijk figuren kopieerde uit een schilderij van Barthelomeus Sprange (1546-1627). Maar al snel vonden zij een eigen artistieke weg.

Gips was daarin iets voorzichtiger dan Sluyterman. Veel van de plafondschilderingen die hij ontwierp, verraden de conservatieve smaak van zijn opdrachtgevers. De engeltjes en slingerende lendendoeken zijn regelrechte echo's van de renaissance. Maar uit de met sierlijke bloemmotieven versierde borders van de plafondschildering Aurora uit 1906 spreekt toch duidelijk de geest van de Art Nouveau. En die steekt ook de kop op in de zwierig vormgegeven algen, garnalen en golven in zijn tekening van de Scheveningse pier.

De zichzelf `decorateur' noemende Sluyterman had een stijl die veel mathematischer en strakker was. In de jaren tachtig en negentig van de negentiende eeuw onderschreef hij het gestileerde naturalisme van de Art Nouveau nog van harte. Zijn interieurontwerp voor het toen nieuwe station van Den Bosch, dat helaas de oorlog niet overleefde, is zelfs ronduit uitzinnig te noemen. De muren krioelen van de reusachtige Hertshoorntorren, hordes lieveheersbeestjes, sprinkhanen en zwermen veelkleurige vlinders.

Maar omstreeks de eeuwwisseling verandert zijn stijl ineens. De boekbanden die hij voor onder anderen Louis Couperus maakte laten een strakke lijn zien en een voorliefde voor geometrische vormen. In zijn zilverwerk maken tulpvormige kandelaars die overlopen van Frans geïnspireerde zwierigheid plaats voor strakke prijsbekers zoals de Sneeker Cup, waarvan de deksel een miniatuur Sneeker Poort en een stel zeilbootjes draagt. Sluyterman heeft zich definitief afgewend van de krullen en slierten en hij vervloekt in brieven de Art Nouveau zelfs als `een ziekte'. Voortaan volgt hij de functioneel-constructieve stijl van Berlage. De rol van de Delftse Art Nouveau is na 1914 dan ook definitief uitgespeeld. De `slaoliestijl' is ingehaald door de geschiedenis.

Delftse Art Nouveau, onderwijs en ontwerp 1880-1914. T/m 30 sept in het Techniek museum Delft, Ezelsveldlaan 61, Delft. Open di t/m za 10-17u, zo 12-17u. Inl 015-2138311.