Toneel maken voor Marokkanen

Theatermaker Gerrit Timmers is bekroond met de Albert van Dalsum Prijs 2001 voor zijn half-Arabische `Othello'. Het juryrapport schrijft over `een overrompelend emotionele en oorspronkelijke opvoering'. Dit jaar moest hij onder druk van orthodoxe moslims zijn muziektheaterstuk `Aïsja' afgelasten.

Regisseur Gerrit Timmers (1948) van het Rotterdamse gezelschap Onafhankelijk Toneel werkt de laatste jaren welbewust met acteurs afkomstig uit Marokko. Dat is hem niet altijd in dank afgenomen. Desalniettemin besloot het Amsterdams Fonds voor de Kunst hem te vereren met de Albert van Dalsum Prijs, een van de belangrijkste onderscheidingen voor het toneel. Zijn regie van Shakespeare's Othello is maatgevend voor een nieuwe stijl van theater maken, waarin naast Nederlandse acteurs ook allochtone spelers optreden.

Voor Timmers kwam de onderscheiding juist op het goede ogenblik. In een kamer vol rekwisieten en videobanden tegenover de Mullerpier in Rotterdam zegt hij: ,,Mijn idee om Marokkaanse acteurs te gebruiken ontstond op de basisschool van mijn dochter. Het was een gebouw in het hart van Rotterdam, waar meer dan de helft van de leerlingen allochtoon is. Ik zag hun taalachterstand, hun ontredderde situatie in Nederland. Was zowel vader als moeder Marokkaan, dan leerden zij ternauwernood een woord Nederlands. Hun positie in Nederland werd hierdoor zeer bemoeilijkt, wat tot op heden voor grote moeilijkheden zorgt. Dit is een politiek probleem, dat het liefst ondergeschoffeld wordt. Ten onrechte. De Nederlandse politiek, die ik laf vind, legt de bal bij kunst en onderwijs, terwijl het inburgeringszaken betreft die allang geleden aangepakt hadden moeten worden door de politiek zelf. Een helder inzicht in deze problematiek geeft Egyptekenner Harm Botje met zijn belangwekkende boek Een eiland in het westen. Dat moet iedereen lezen die iets meent te vinden over Marokkanen in Nederland.''

Begin van de jaren zeventig kwam Timmers naar Rotterdam. De gemeente had een advertentie geplaatst voor een nieuwe theatervoorziening. ,,In die tijd'', zegt Timmers, ,,kon je na zes uur 's avonds een kanon afvuren in de binnenstad. Daar was het totaal verlaten. Er gebeurde ook niets. Die positie van buitenstaander heeft ons ten gunste beïnvloed. Ik dacht nooit aan zaken die wel of niet in de mode waren, dat is meer iets voor Amsterdam. In die begintijd speelden we De Meeuw van Tsjechov. De dode vogel daarin werd verbeeld door een theedoek. Dat zorgde voor grote verbazing. Wij waren Dada-geschoold, dus voorwerpen konden altijd iets anders betekenen.''

Timmers heeft een grote staat van dienst. Hij maakt sterk beeldend theater en ontwierp decors voor opera's van Strawinsky, Monteverdi en Händel. Een in artistiek opzicht doorslaggevende voorstelling was het Arabisch georiënteerde De Beschaving, Mijn moeder. Timmers: ,,Aan de grondslag daarvan ligt een roman waarin een huismoeder op latere leeftijd leert lezen en schrijven. Aanvankelijk was zij zich onbewust van de haar omringende beschaving. Door de beheersing van de geschreven taal verliest ze haar onschuld. Aan het slot erkent ze dat ze die kennis liever niet had gehad. Dan was haar onschuld behouden gebleven.''

In de prijswinnende enscenering van Othello worden Jago en Desdemona respectievelijk door Hassan El Fad en Salima Benmoumen gespeeld. De voorstelling, met de Nederlander Bert Luppes in de titelrol, heeft een hartverscheurende kracht. Na de succesvolle Nederlandse tournee speelde het Onafhankelijk Toneel Othello in Marokko. Ook daar was het aantal toeschouwers hoog. Timmers: ,,Ik probeerde met deze versie de Marokkaanse gemeenschap in Nederland te bereiken. Gaandeweg groeide het aantal allochtone bezoekers en bereikten we wat we altijd verlangden, namelijk een gemengd publiek. Marokkanen zagen hier in Nederland hun geliefde acteurs en actrices, die ze met de satelliet op televisie konden ontvangen. Dat bleek van groot belang. Ze voelden zich iets minder een buitenstaander, minder vreemdeling.''

Met de groots gemonteerde voorstelling Aïsja, over de jongste vrouw van de profeet Mohammed, wilde Timmers deze lijn voortzetten. Maar zijn ideeën riepen weerstand op, niet in de laatste plaats bij de Marokkaanse gemeenschap. Timmers: ,,De heldin uit de titel mocht niet afgebeeld worden. Voor ons was het raadselachtig dat het verzet tegen de voorstelling pas in een laat stadium ontstond. Want nergens staat dit verbod zwart op wit. Het was meer een soort zelfcensuur. Opeens mocht Aïsja niet op zoiets zondigs als een toneelvloer aanschouwd worden. Van Nederlandse zijde werd me verweten aan folklorisme te doen, van Marokkaanse kant gaf men mij te kennen dat ik hun cultuur foutief interpreteerde. Ik ben daar heel somber over geweest. Ik vond geen draagvlak voor mijn uitbeelding van wat ik noem `menselijkheid'. Daarmee bedoel ik wederzijdse acceptatie van elkaars culturele gedachtegoed. Met Othello heb ik bereikt wat regisseur Albert van Dalsum in zijn voorstellingen uit de jaren zestig ook nastreefde: een sterk gevoel van sociale verbondenheid uit te drukken.''