Rrerrp rrerrp in de verte

Het is even zoeken in de Oost-Groningse Dollardpolders, bij de Westerwoldsche Aa, tussen Wedde en Wedderveer, maar ik kom toch op tijd bij de molen waar de excursie naar de kwartelkoning begint. Even later stopt de groene auto van de boswachter, een jonge, goedlachse Brabander, die de natuur tussen Dollard en Eemskanaal in goede banen moet zien te leiden.

Zowel Staatsbosbeheer als Natuurmonumenten organiseert tegenwoordig het ene uitstapje na het andere. Wie in het vrije veld over vogels, vlinders, bloemen, bomen of paddestoelen onderwezen wil worden, schare zich in de rij achter de boswachter.

,,Ik heb een slechte en een goede mededeling'', zegt boswachter Leon Luijten. ,,De slechte is dat ik hier dit jaar nog geen kwartelkoningen heb gehoord. De goede is dat we een mooie wandeling gaan maken.''

De kwartelkoning is een geheimzinnige vogel die wel gehoord maar zelden gezien wordt. Net zo geheimzinnig als de kwak, de griel, het woudaapje en de nachtzwaluw. Tot voor kort schommelde het aantal broedparen in Nederland rond de veertig; het steeds vroegere maaien is funest voor de dieren. In de uiterwaarden van Waal en IJssel en vooral in Oost-Groningen laat het mannetje graag zijn monotone roep horen. Eind jaren negentig kwamen er opeens honderden mannetjes bij. De oorzaak was misschien de perestrojka – door het braakliggen van akkers op het onrustige Russische platteland nam het broedsucces van de vogels toe. Kwartelkoningen zijn gesteld op ruig terrein. Na overwintering op de Afrikaanse savannen, zwierven ze over Europa uit.

Leon schudt het hoofd. ,,Alles wijst erop dat dit een slecht kwartelkoningjaar wordt.''

Overigens heeft hij het karakteristieke kelige geluid, waaraan de vogel de Latijnse naam Crex crex heeft te danken, al wel vernomen. Maar dan in het polderland bij Finsterwolde, waar ze in graan en andere gewassen broeden. Wie dat geluid per se wil horen, moet straks, als de nacht gevallen is, maar met hem meegaan.

In het bos bij de Wedderbergen demonstreert de boswachter een van zijn talenten: het nabootsen van vogelgeluiden. Nu eens jodelend als een wielewaal, dan weer roepend als een grote bonte specht, gaat hij ons voor. Moeiteloos herkent hij in het concert der vogels het riedeltje van het roodborstje, het monotone tjif en tjaf van de tjiftjaf (`een vogel voor beginners') en het lijsterachtige gezang van de boompieper. Als hij het aantal broedparen in een bosgebied moet inventariseren, dan loopt hij, de zangers noterend, een aantal keren hetzelfde traject af.

Een paadje in een houtwal, in feite een dijkje dat ooit de Westerwoldsche Aa in toom moest houden, brengt ons naar laagland vol veldzuring, die in de ondergaande zon prachtig rood kleurt. Een havik wiekt voorbij, vast van plan jonge spreeuwen of Vlaamse gaaien op hun roestplaats te verrassen. Leon wijst op een vogeltje met donkere kop (roodborsttapuit), dat vanuit het fluitenkruid op insecten jaagt. Wij lopen door een weide vol grassen en zeggen die namen dragen als witbol, kropaar, zachte dravik en geknikte vossestaart. ,,Grassen zijn prachtig'', zegt de enige vrouwelijke deelnemer, die ruikt aan het reukgras en de caramelachtige smaak van de vossestaart prijst.

Leon imiteert de rasp van de kwartelkoning, maar die geeft niet thuis. Wij horen slechts de zang van de `boerennachtegaal' (groene kikkers) en bij de bosrand het melodieuze getjuik van de echte nachtegaal.

Op naar Finsterwolde. Buiten het langgerekte dorp rijden Leon en ik de polder in. Onderweg vertelt hij over lentenachten waarin niet alleen de kwartelkoning zich meldde, maar ook de waterral (een aflopend wekkertje), de roerdomp (een ouderwetse misthoorn) en de sprinkhaanrietzanger (een eindeloos aangehouden krekeltsjirp). Wij stappen bij een graanveld uit. En ja, daar komt het uit de diepe stilte aangewaaid, de tweetonige knars in het slot, het rrerrp rrerrp van de kwartelkoning. Wij vouwen de handen om onze oorschelpen en horen nu opeens uit drie, vier richtingen de mysterieuze roep over de velden klinken.