Preventief fiksen

Op iedere ramp volgt een onderzoek met een rapport waarin met bewonderenswaardige nauwkeurigheid wordt beschreven wat, zoals dan blijkt, iedereen al wist. Natuurlijk. Het gezond verstand zegt achteraf dat het alleen in het brein van een gevaarlijke krankzinnige kan opkomen een vuurwerkfabriek midden in een stad te vestigen, of drie disco's boven elkaar in een houten huis te exploiteren. De rapporten hebben hun nut omdat ze de gang van zaken reconstrueren, oorzaak, verantwoordelijkheid en schuld traceren, en bijdragen tot de preventie. Daaruit ontstaan twee vragen. Wat zijn de gevolgen voor de verantwoordelijken die schuld dragen? En hoeveel wordt er bijgedragen tot de preventie en hoe lang duurt dat?

Op de eerste vraag heeft de commissie-Oosting een algemeen antwoord gegeven, door vast te stellen dat er ,,een keten van verantwoordelijkheden'' is. Na de ramp verschijnen er wel overheidsdienaren die verklaren dat ze `hun verantwoordelijkheid nemen', maar menigmaal zien we dan dat ze al nemend blijven zitten waar ze zaten. Het probleem ligt in de vraag waarom ze hun verantwoordelijkheid (die ze onder ede hebben aanvaard) dan niet eerder hebben `genomen'. Op de tweede vraag, over de duur van de preventie, heeft de heer Alders in zijn toelichting tot het rapport een indirect antwoord gegeven. Waarom volgen we de regels niet, ,,waarom voeren we niet uit wat we lang geleden met elkaar hebben afgesproken? Omdat we altijd denken dat het wel los zal lopen. En als er toch wat gebeurt, denken we: dan fiksen we het wel weer.''

Daar hebben we dan, zoals we zeggen, ,,niet helemaal ongelijk in'', want inderdaad, de meeste Nederlandse cafés branden niet af. De commissie-Alders heeft uitgezocht dat op het gebied van brandgevaar Nederland na Zwitserland het veiligste land op aarde is. En misschien ontploffen hier vergelijkenderwijs ook maar heel weinig vuurwerkfabrieken.

Als het om buitengewoon ernstige ongelukken gaat, maakt zich hier van degenen die niet tot de slachtoffers horen, vaak na een explosie van rouw, een sussend relativisme meester. Dat relativisme verwijst naar de feiten, wetenschappelijk verzameld, die dan tot de onomstotelijke conclusie leiden dat het gebeurde wel heel ernstig is, maar dat het heel ernstige niet algemeen is en zeker niet op een trend wijst. Dat zou er nog bij moeten komen, voegt het naïeve verstand eraan toe. Dit verstand werkt dan ook niet relativerend, maar komt snel tot absolute conclusies.

Ongeveer hetzelfde zien we gebeuren op het gebied van de misdaad. Men, de publieke opinie, houdt zich er al jaren van overtuigd dat de criminaliteit toeneemt, terwijl het aantal opgeloste misdrijven afneemt. Een politieke bevestiging van deze overtuiging vindt het publiek in de beslissing van het kabinet om à raison van ,,enkele honderden miljoenen guldens'' 8.000 agenten en `toezichthouders' (personeel zonder opsporingsbevoegdheid) te werven. In dezelfde week blijkt uit het jaarlijks onderzoek van Politiemonitor (een enquête onder 90.000 Nederlanders) dat de geweldscriminaliteit vergeleken met het ,,topjaar 1999'' licht is afgenomen, en dat ,,het gevoel van onveiligheid onder de burgers'' ook is verminderd. Intussen is men ook minder tevreden over de politie.

Wat moeten we daaruit concluderen? Dat dit alles in tegenspraak is met de ,,recente noodkreten over de toename van de jeugdcriminaliteit''? (zoals de Volkskrant van 21 juni in een kanttekening bij het bericht noteert). En in een analoge redenering, dat de grote brand in Volendam niet mag leiden tot de slotsom dat alle cafés in Nederland op afbranden staan? Dat het allemaal wel erg is, maar dat we niet moeten overdrijven? Dat is een demagogisch alarmisme met een demagogisch relativisme beantwoorden. Deze discussie duurt al sinds de klassieke dialoog tussen de conservatieve A die klaagt over `de toenemende criminaliteit', waarop de meer verlichte B hem antwoordt: `Dan moet u een ander ochtendblad nemen'.

Op zeker ogenblik ontstaat een principieel verschil tussen de daad die door de wetenschap wordt onderzocht en in zijn categorie ondergebracht, en dezelfde daad die door iemand wordt begaan, op zo'n manier dat anderen daarvan de gevolgen ondervinden. Binnen de wetenschap vragen we pas aan het slot van het onderzoek naar de morele merites van de gebeurtenis als geheel. Op dat punt beginnen het recht en de politiek, die zich bezighouden met iedere gebeurtenis op zichzelf, de individuen en hun verantwoordelijkheid, zonder relativering (behoudens de verzachtende omstandigheden). Daar gelden de strikt persoonlijke verantwoordelijkheid, de motieven en de persoonlijke gevolgen voor het slachtoffer, ongeacht de vraag naar de trends, de generaliseringen en de relativeringen die de wetenschap vaststelt.

In Nederland vleien wij ons om de haverklap met het compliment dat we een `mondige samenleving' zijn, met buitengewoon goed geïnformeerde burgers en weldenkende overheidsdienaren. De heer Oosting vroeg om een ,,culturele revolutie''. De heer Alders zei: ,,Laten we nu in vredesnaam uitvoeren wat we met elkaar hebben afgesproken.'' Hoe valt dat met de algemene mondigheid te rijmen? Hoe kunnen we beide heren tegemoetkomen? Begin eens met het vergroten van de preventieve pakkans voor slordige burgemeesters.