Papoea wil vorm geven aan zijn `merdeka'

Steeds nadrukkelijker klinkt in Papoea de roep om `merdeka'. Binnenkort debatteert het Indonesische parlement over autonomie voor de regio. De laatste kans op een vreedzame oplossing, zo lijkt het.

Het gist in Papoea. In het regentschap Manokwari maken politiemannen jacht op een groepje gewapende Papoea's. Zij doodden op 13 juni vijf agenten van de Mobiele Brigade die wacht liepen bij een houtkapbedrijf. Honderden kilometers naar het oosten, niet ver van de met eeuwige sneeuw bedekte Carstenszpiek, houdt de Organisatie Vrij Papoea (OPM) twee Belgische tv-makers vast. De hoogste bevelhebber van het OPM-legertje in het bergland, Kelly Kwalik, heeft de Belgen niet zelf ontvoerd maar de actie overgenomen en eist in ruil voor hun vrijlating een internationale conferentie over de status van de provincie Papoea.

In de provinciehoofdstad Jayapura loopt een proces tegen vijf leden van het Papoea-Presidium, het uitvoerende orgaan van de beweging die bovengronds en met vreedzame middelen ijvert voor een `vrij West-Papoea'. De vijf staan terecht op verdenking van staatsondermijnende activiteiten.

In het verre Jakarta, tenslotte, lobbiet een groep Papoeanotabelen voor snelle behandeling van een wetsontwerp uit Papoea zelf, dat het gebied de status verleent van een zelfbesturende provincie. De lobbygroep vertegenwoordigt een breed spectrum van de Papoea-elite, van niet-gouvernementele organisaties tot de gouverneur. Dat de strijd weer opleeft, terwijl een serieus debat over autonomie binnen Indonesisch staatsverband nog moet beginnen, illustreert dat de kwestie-Papoea in een kritieke fase is beland. Na de val van president Soeharto kwamen de frustraties van de Papoea's, gevoed door 35 jaar repressie, verwaarlozing en grondstoffenroof, aan de oppervlakte. Een delegatie van 100 Papoea's trok in februari 1999 naar Jakarta en zei tegen toenmalig president Habibie maar één uitweg te zien: `merdeka', vrijheid. Dat vrijheidsbegrip bleef overigens hangen in de nevelen van een half-religieuze heilsverwachting. `Merdeka' is voor de meeste gewone Papoea's een geïdealiseerde toestand, die neerkomt op bevrijding van alle leed dat hen onder Indonesisch bestuur is berokkend.

In februari 2000 koos een vergadering van enkele honderden geschoolde Papoea's – traditionele leiders, onderwijzers en dominees – een Papoea-Raad en een uitvoerend lichaam, het Papoea-Presidium. Dit gezelschap kreeg een mandaat om door middel van een 'dialoog' met Jakarta en een diplomatieke `safari' langs buitenlandse hoofdsteden steun te zoeken voor afscheiding. Individuele OPM-leden – onder wie gewezen politieke gevangenen – kregen zetels in de Papoea-Raad, maar het OPM-legertje bleef buiten de nieuwe structuur om geen afbreuk te doen aan het vreedzame karakter van de beweging. Dat zette kwaad bloed bij de mannen in het bos, die, zeggen zij, het vrijheidsideaal met gevaar voor eigen leven dertig jaar hebben hooggehouden. Die uitsluiting steekt temeer omdat de `dialoog' met Jakarta nauwelijks van de grond komt.

President Wahid sprak met leden van het Presidium, die vervolgens thuis, in Jayapura, voor verhoor werden ontboden door de politie. Wahid doopte rond de jaarwisseling 1999-2000 de provincie om van Irian Jaya in Papoea, maar het Indonesische Volkscongres, het hoogste orgaan van staat, voelde zich gepasseerd en hield vast aan de oude naam. Wahid gaf toestemming om de Morgenster, de vlag van West-Papoea, die voor het eerst werd gehesen in de nadagen van het Nederlandse bestuur over Nieuw-Guinea, uit te hangen naast het Indonesische rood-wit. Politieke pleidooien voor een `vrij West-Papoea' achtte Wahid geoorloofd, mits dit niet uitmondde in `subversieve daden'.

Op het Volkscongres in augustus vorig jaar kreeg Wahid de wind van voren; hij had `geheuld met separatisten'. Sindsdien wordt het beleid tegenover Papoea bepaald door nationalistische politici en militairen, die alleen al praten over `merdeka' zien als ondermijning van de eenheidsstaat. In het najaar vaardigde de regering een verbod uit op het hijsen van de Morgenster en in december werden vijf Presidiumleden opgepakt.

In 1999 en 2000 beloofde het Volkscongres de rebelse provincies Atjeh en Papoea een speciaal statuut met vergaande autonomie. Dit voorjaar verbrak de Papoea-intelligentsia haar stilzwijgen. Docenten van de twee universiteiten in de provincie besloten Jakarta aan zijn woord te houden. Zij formuleerden op verzoek van gouverneur Salossa een ontwerp dat werd overgenomen door het streekparlement en in april werd ingediend bij de regering in Jakarta.

Het ontwerp voorziet in een vergaande vorm van zelfbestuur, dat alleen Buitenlandse Zaken, Defensie en Monetair Beleid overlaat aan de centrale regering. Het statuut voorziet in een tweekamerstelsel: naast het streekparlement, dat bestaat uit vertegenwoordigers van politieke partijen, zou een Papoea Volksraad komen, bestaande uit traditionele leiders, religieuze voorgangers en vrouwen, die zich vooral moet ontfermen over de belangen van de autochtone bevolking. Ook wordt de instelling gevraagd van een commissie die zich moet buigen over de `integratie' van voormalig Nederlands Nieuw-Guinea in de Republiek en de zeer omstreden `volksstemming' daarover in 1969. Dit artikel komt tegemoet aan de eis van de Papoea-Raad dat ,,de geschiedenis wordt rechtgezet''.

De meeste fracties in het nationale parlement hebben toegezegd het ontwerp uit Papoea voorrang te geven in het komende debat over een speciaal statuut. Vooral leden van de nationalistische PDI-P, de grootste fractie, hebben echter ernstige bezwaren tegen cruciale onderdelen. De lobbyisten uit Papoea winden er op hun beurt geen doekjes om: voor dit politieke compromis bestaat geen ander alternatief dan `merdeka'.