Kies burgemeester niet via fopspeen

Het voornaamste bezwaar tegen het burgemeestersreferendum is de schijn van democratie die wordt gewekt, meent J.J.H. Pop. Daarom moet de Eerste Kamer het desbetreffende wetsontwerp niet aanvaarden.

De rechtstreeks gekozen burgemeester zal er voorlopig niet komen. Voor een Amerikaans type burgemeester, die zijn eigen wethouders benoemt en die als de lokale politieke leider een dominante positie in het gemeentebestuur inneemt, bestaat in Nederland vooralsnog weinig politiek animo.

De staatscommissie-Elzinga, die over verdergaande dualisering van het gemeentebestuur adviseerde, was op het punt van de burgemeestersaanstelling ook hopeloos verdeeld.

Meer overeenstemming bestaat over het versterken van de invloed van de gemeenteraad bij de benoeming van de burgemeester. Volgende week behandelt de Eerste Kamer een wetsvoorstel waarin de gemeenteraad het recht van aanbeveling van de burgemeesterskandidaten krijgt. De Kroon moet dan de aanbevolen kandidaat benoemen, tenzij er zwaarwegende redenen zijn om van de aanbeveling af te wijken.

Op dit moment is het al zo dat in verreweg de meeste gevallen de voorkeur van de raad wordt gevolgd. Maar soms kiest de Haagse politiek voor een ander, veelal wegens de politieke kleur van de kandidaat. Soms ook omdat een Haagse politicus geparachuteerd moet worden als burgemeester. De nieuwe wet zal dit soort praktijken vrijwel onmogelijk maken.

De vraag doet zich nog wel voor of dit aanbevelingsrecht van de raad de beslismarge van de Kroon niet zodanig beperkt dat dit in strijd is met de Grondwet. De vraag doet zich zeker voor wanneer de raad maar één kandidaat aanbeveelt. Als de Kroon deze kandidaat niet acceptabel vindt, moet de raad een nieuwe aanbeveling maken. Er is geen ruimte voor de Kroon om zelf een kandidaat te kiezen. Dat holt het grondwettelijk aanbevelingsrecht zeker uit. Bij de Eerste Kamer is hier sterke twijfel over gerezen.

Maar er zit nog een tweede angel in het wetsontwerp: het zogenoemde burgemeestersreferendum. De wet introduceert de mogelijkheid om tijdens de lopende sollicitatieprocedure een raadplegend referendum te houden over twee voorlopig geselecteerde kandidaten. De aldus vastgestelde voorkeur van de inwoners zal waarschijnlijk door de raad worden overgenomen.

De achterliggende gedachte van het kabinet is dat zo de kloof tussen burger en bestuur verkleind zal kunnen worden. De voorstanders van deze gedachte (vooral in D66) zeggen: ,,De burger moet toch zelf zijn burgemeester kunnen kiezen''.

Het voornaamste bezwaar tegen dit burgemeestersreferendum zit nu juist in de schijn van democratie die gewekt wordt. Twee onverenigbare elementen worden hier gecombineerd. Of de Kroon benoemt de burgemeester (met een maximale wettelijke invloed van de burgemeester) òf de inwoners kiezen de burgemeester rechtstreeks. Maar dan niet halverwege een benoemingsprocedure, waardoor de rol van de raad nu juist weer verzwakt wordt.

Nog erger is dat het burgemeestersreferendum niet kan gaan over de lokale politiek en wat de kandidaten daarover in hun programma hebben staan. Want zij hebben geen inhoudelijke standpunten over lokale kwesties, omdat zij geen politici zijn.

Het gaat bij de selectie in het huidige systeem alleen over de geschiktheid en bekwaamheid van de sollicitanten. Het antwoord daarop kan niet door een volksraadpleging worden verkregen.

Moeten de sollicitatiedossiers ter inzage liggen? Moeten de kandidaten hun curriculum vitae op affiches verspreiden? Moeten zij hun referenten in een verkiezingsteam opnemen? Hoe zullen de media hierop inspelen en zullen zich vooral populistische kandidaten aandienen?

Zolang geen sprake is van een echt en volledig systeem voor de verkiezing van de burgemeester, is het burgemeestersreferendum vis noch vlees, zoals de Raad van State het betitelde. Sterker: het is in democratisch opzicht een fopspeen. Commissaris van de Koningin Van Kemenade noemde het volksverlakkerij. De door het referendum aangewezen burgemeester heeft immers geen enkele mogelijkheid om na zijn aanstelling direct herkenbare politieke invloed uit te oefenen. `Zijn' kiezers kunnen hem daar niet op aanspreken. Van verkleining van de kloof tussen burgers en bestuur is dus helemaal geen sprake.

Trouwens, de relatie tussen de burgemeester en de inwoners is in het algemeen geen probleem. Onderzoek en enquêtes laten zien dat de burgemeester de bekendste bestuurder is en dat zeer positief wordt gedacht over de functie zoals die thans is. Het gezag dat de burgemeester bij de bevolking heeft, hoeft zeker niet via een referendum opgebouwd te worden, integendeel, door het genoemde fopspeen-karakter zal dit gezag eerder afnemen.

Niet voor niets zijn alle adviezen die over dit wetsontwerp zijn uitgebracht op het onderdeel van het burgemeestersreferendum negatief. De Eerste Kamer kan als kwaliteitsbewaker voor de (Grond)wet haar nut bewijzen door dit wetsontwerp niet te accepteren.

Mr. J.J.H. Pop is burgemeester van Haarlem en voorzitter van het Nederlands Genootschap van Burgemeesters.