Invloed Hollandse schilders op de Deense Gouden Eeuw

Hoewel in de eerste helft van de 19de eeuw ook elders in Europa belangstelling bestond voor de schilderkunst van de Hollandse Gouden Eeuw, gold dat voor Denemarken in het bijzonder. De twee landen zijn niet alleen vergelijkbaar in klimaat, landschap en waterrijkheid, maar ook kende Denemarken in de periode van 1800-1850 een burgerlijke samenleving en een bewustzijn van nationale identiteit die leken op die in de oude Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden. Denen verzamelden werk van schilders als Jacob van Ruysdael, Jan van Goyen en Gerard Dou en er verschenen prenten naar werken van Hollandse kunstenaars. Deense schilders kenden die verzamelingen en reproducties, zagen Nederlandse schilderijen tijdens buitenlandse reizen, en lieten zich erdoor inspireren. Iets van de resultaten van die beïnvloeding is te zien in een mooie expositie in het Rijksmuseum, waar Deense en Hollandse schilderijen ter vergelijking naast elkaar zijn opgehangen.

Als er sprake is van een `Deense Gouden Eeuw', dan slaat dat niet zozeer op een ongekende economische voorspoed zoals Holland die had gekend, alswel op de schitterende staaltjes van schilderkunst die Denemarken in die tijd heeft voortgebracht. Een voorbeeld daarvan is een olieverfschets van een Noors landschap, dat Martinus Rørbye in 1830 maakte. Het is geschilderd in de kraakheldere kleuren die ook veel andere Deense werken uit die tijd kenmerken. Het compositieschema met de massieve rotsen die overgaan in een lieflijk glooiend landschap dat zich tot aan de horizon voortzet, is heel vergelijkbaar met het schilderij van Allart van Everdingen, dat er naast hangt. Van Everdingen reisde in Scandinavië en sommige van zijn, deels aan de fantasie ontsproten, noordse landschappen bevonden zich in Kopenhagen. Rørbye kan zulk werk van Van Everdingen in het hoofd hebben gehad, maar de verschillen met het veronderstelde voorbeeld zijn ook evident: bij de Nederlander is het landschap overweldigend door de dreigende wolkenlucht en het contrast tussen de donkere rotsen met kleine boompjes en een minuscule steenbok, en het rivierlandschap met een nietig hutje linksonder. Rørbye's veel kleinere werk houdt door het gebruik van minder dramatische tegenstellingen een menselijker maat aan.

Iets dergelijks geldt voor het mooie Gezicht op Kopenhagen van Christen Købke. De stad ligt aan de overzijde van het water en de voorstelling is opgezet in parallel aan het beeldvlak lopende stroken. Dat doet denken aan werk van de Hollandse landschapsschilder Jan van Goyen, en het is verleidelijk een directe invloed te veronderstellen van diens Gezicht op Arnhem, dat de koninklijke kunstgalerij in Kopenhagen in 1837 verwierf. Maar het motief van de gammele steiger die bij Købke de voorgrond domineert, verleent de voorstelling een intimiteit die bij Van Goyen ondenkbaar is. Zulke Nederlands-Deense paren in de tentoonstelling illustreren vooral de vrijheid waarmee in de 19de eeuw werd omgesprongen met voorbeelden die weliswaar zeer werden bewonderd, maar waarop ook kritiek bestond. Dat blijkt uit het commentaar dat de landschap- en dierschilder Johan Thomas Lundbye leverde na het zien van Paulus Potters beroemde Jonge stier in het Haagse Mauritshuis: het schilderij was natuurlijk erg mooi, maar van de verhoudingen van de stier klopte volgens Lundbye niet veel.

Het karakter van de beïnvloeding loopt dan ook nogal uiteen. Het kan de algehele compositie betreffen, maar ook de themakeuze, de idyllische kwaliteit van scènes uit het buitenleven of, in een enkel geval, de schildertechniek. Overname van afzonderlijke motieven speelt een belangrijke rol in een aantal voorbeelden van genrestukken, die in het Deense vroeg 19de-eeuwse burgerlijke milieu misschien wel het meest tot de verbeelding spraken. Familieportretten en huiselijke taferelen uit de 17de eeuw werden gewaardeerd als weerspiegeling van idealen als eenvoud, eerlijkheid en zoiets typisch Nederlands als gezelligheid, en de Deense kunstcriticus Høyen benadrukte dat de Hollandse schilderkunst juist daarom het voorbeeld moest zijn voor een Deense nationale kunst. Je kunt je daarbij wel iets voorstellen bij het zien van een familieportret van Wilhelm Marstrand, dat qua sfeer en in afzonderlijke beeldelementen geïnspireerd lijkt op een werk van Pieter van Slingeland dat zich destijds in Kopenhagen bevond. Maar het is opvallend dat tentoonstelling en catalogus ook veel werk maken van de interpretatie van bepaalde motieven – zoals vogels in een kooitje – die in de Nederlandse kunst soms in moraliserende zin worden geduid. Het is moeilijk voor te stellen dat zulke aan een specifieke context gebonden connotaties zomaar 200 jaar en 900 kilometer konden overbruggen. De ene Gouden Eeuw is tenslotte de andere niet.

Tentoonstelling: Twee Gouden Eeuwen; schilderkunst uit Nederland en Denemarken. Rijksmuseum Amsterdam, Ingang Zuid. T/m 16/9. Catalogus: ƒ69,50. Inl. (020) 6747000.