Wederopstanding 1

Herman Philipse verwijt Eduard Bomhoff er een `verbluffend naïeve bijbelinterpretatie' op na te houden (NRC Handelsblad, 23 juni). Volgens Philipse begeeft Bomhoff zich buiten zijn vakgebied in zijn poging aan te tonen dat Jezus Christus waarlijk (=lichamelijk) is opgestaan. Philipse haalt twee atheïstische geestgenoten aan (prof. H.J. de Jonge en David Hume) en trekt de conclusies dat de lichamelijke opstanding van Jezus Christus nooit heeft plaatsgevonden en dat het bijbelse opstandingsverhaal – althans door Paulus – nooit zo bedoeld is.

Maar wie begeeft zich hier nou buiten zijn vakgebied? Philipse is geen schriftgeleerde, maar daar gaat het (juist) niet om. Waar het om gaat is dat de bijbel voor echte gelovigen het ware Woord van God is, en voor ongelovigen niet. Niemand kan aantonen of bewijzen wat pakweg 2000 jaar geleden echt gebeurd is. Philipse komt aan met culturele matrixen, martelaarsopstandingen in de joodse traditie en wetenschappelijke `bewijsvoering', om aan te tonen dat het wonder van de lichamelijke opstanding niet echt gebeurd kan zijn. Deze theorieën zijn echter reeds gebaseerd op de aanname dat de opstanding niet echt gebeurd kán zijn.

In Hebreeën 11:1 staat ,,Het geloof nu is de zekerheid van de dingen, die men hoopt, en het bewijs van de dingen, die men niet ziet.'' Voor gelovigen staat vast dat wat in de bijbel staat echt gebeurd en waar is. Voor ongelovigen bestaat de bijbel grotendeels uit verzinsels. Het geloof is voor niet-gelovigen verbluffend naïef. Mijn stelling is dat sommige niet-gelovigen hun ongeloof proberen te rechtvaardigen door `aan te tonen' dat wat in de bijbel staat niet waar is, of `niet zo is bedoeld'. Ook het belachelijk maken van de bijbel is voor sommige ex- of ongelovigen een favoriet tijdverdrijf.