Partijen in Rusland

BIJNA ONGEMERKT heeft Poetin het partijpolitieke landschap van Rusland overhoop gehaald. Afgelopen donderdag heeft de Doema in meerderheid een `wet op politieke partijen' aanvaard met verstrekkende gevolgen. De president hoopt nu effectiever te kunnen regeren.

De Russische partijen zullen zich voortaan aan strikte regels moeten houden. Een partij die op federaal niveau naar de kiezersgunst dingt, dient ten minste tienduizend geregistreerde leden te hebben en, om het buiten de grote steden nog moeilijker te maken, in de helft van de 89 regio's minimaal honderd leden. De particuliere donaties worden aan banden gelegd. Geld uit den vreemde is helemaal taboe. Hetzelfde geldt voor de symbolen van de partijen: alles wat beledigend is voor vlag, wapen en volkslied van Rusland wordt verboden.

De controle berust bij het ministerie van Justitie. In ruil voor deze beperkingen zal de overheid de financiering van de partijen, met meer dan 3 procent van de stemmen, ter hand nemen.

Bij de laatste parlementsverkiezingen in 1999 deden op federaal niveau 26 partijen mee (zoals `gepensioneerden' en een partij `ter verdediging van vrouwen'), waarvan er slechts zes deze drempel haalden. Dat was vooruitgang, omdat tussentijdse wetswijzigingen het al moeilijker hadden gemaakt voor bijvoorbeeld `bierliefhebbers' om zich te kandideren. Bovendien was nagenoeg geen enkele politieke groepering een partij in de gebruikelijke zin. De meeste waren voertuigen van zakenbaronnen, die dankzij het privatiseringsprogramma van ex-president Jeltsin niet alleen financiële en zakelijke, maar ook politieke macht hadden verworven en het openbaar bestuur gebruikten om hun belangen veilig te stellen.

DE VRAAG is of de nu aangenomen wet daaraan een einde maakt. Er bestaat al een kiesdrempel van 5 procent die redelijk effectief een einde heeft gemaakt aan de partijpolitieke versplintering. De verificatie van de handtekeningen, die nodig zijn om deel te nemen, is eveneens verbeterd. Het gaat in de nieuwe wet dan ook vooral om de financiële paragrafen en de controle vanwege het ministerie van Justitie. In een jonge democratie als de Russische ligt het gevaar op de loer dat de staat deze bevoegdheden zal aanwenden voor andere vormen van politieke disciplinering. Zeker in de periferie biedt de nieuwe wet mogelijkheden de oppositie kort te houden. Wellicht zal het niet blijven bij een wet op politieke partijen. Vanuit de Russisch-orthodoxe kerk wordt druk uitgeoefend de kerkgenootschappen op enigszins vergelijkbare wijze van staatswege te financieren.

Dit verlangen naar disciplinering is na Jeltsin verklaarbaar. De politieke cultuur van diens `wilde kapitalisme' moet inderdaad worden teruggedrongen. Maar deze nieuwe wet doet net iets te veel herinneren aan een adagium van Lenin: vertrouwen is goed, controle is beter.