Overheid mag vertrouwen nooit schaden

Bestuurders die zich bewust zijn van hun omstreden positie moeten aftreden, vindt Dick Buursink. Zelf legde hij zijn functie van wethouder neer naar aanleiding van de vuurwerkramp in Enschede.

Wat moet er gebeuren vóór politieke bestuurders zelfs maar willen overwegen om de consequenties te aanvaarden van hun verantwoordelijkheid in een openbare functie? Minister De Vries van Binnenlandse Zaken hanteert als enige maat het antwoord op de vraag of sprake blijft van vertrouwen bij de volksvertegenwoordiging die, de minister gehoord hebbende, kan kiezen tussen wegsturen of laten zitten.

Bij kleine (politieke) conflicten is dat een goede weg. Mensen die verantwoordelijkheid dragen moeten niet voor het minste of geringste worden weggestuurd. Het wordt anders wanneer sprake is van een ernstige ramp die mede het gevolg is van falend overheidsbeleid.

In het geval van de vuurwerkramp in Enschede was sprake van een ernstige catastrofe. Een ramp van deze omvang doet zich eigenlijk nooit voor in het relatief korte bestuurlijke leven van een politiek bestuurder. Je wordt ermee geconfronteerd en in wezen overkomt het je. In die zin is zelden sprake van directe persoonlijke verantwoordelijkheid.

Er werd, terecht, vrij snel een onafhankelijk onderzoek ingesteld. De commissie-Oosting heeft haar onderzoek zeer adequaat uitgevoerd. Ook volgens de slachtoffers werd op een goede manier duidelijk gemaakt hoe de ramp heeft kunnen gebeuren. Het bedrijf, maar ook de betrokken overheden, hebben in een keten van verantwoordelijkheden gefaald.

Hard maar duidelijk. Er viel weinig op af te dingen.

Vervolgens komt een politieke beoordeling. In Enschede in de gemeenteraad en in Den Haag in het parlement. Op basis van een politieke discussie, en een be- of veroordeling wordt een bestuurder al dan niet verantwoordelijk gemaakt, met in het uiterste geval de consequentie dat het vertrouwen wordt opgezegd.

In mijn ogen is in zo'n debat de vraag aan de orde of de eindconclusies kloppen van het rapport-Oosting. Als dat niet zo zou zijn zou ook het eindoordeel dat een individuele bestuurder voor zichzelf moet vormen, nog niet geveld kunnen worden voordat het debat heeft plaats gevonden.

De rapportage van Oosting bood mijns inziens die ruimte niet. Aan de conclusies was weinig af te doen.

In die situatie is dan allereerst de individuele afweging van de betrokken bestuurders aan de orde die zich de vraag moeten stellen of er nog vertrouwen in de overheid kan zijn na zo'n calamiteit. De vraag is niet aan de orde of de persoon direct schuld heeft of verantwoordelijkheid draagt. Het gaat om een antwoord op de vraag wat er nodig is om zichtbaar te maken dat de overheid zich ervan bewust is dat ze gefaald heeft – gefaald op het meest kritische punt waarop je beoordeeld wordt, namelijk het bieden van basisveiligheid aan de burgers.

Mijn afweging is geweest dat ik op het rapport-Oosting weinig kon afdingen. Feiten zijn feiten. Een verantwoording in de raad (maar ook in het parlement) gaat dan al snel over hoe het heeft kunnen gebeuren dat we zo gefaald hebben. We vragen dan om begrip, leggen omslachtig uit dat het eigenlijk een schande is en dat het anders had gemoeten.

En inderdaad, zoals Ed van Thijn in deze krant van 19 juni schrijft, opnieuw de sorry-cultuur. Met in dit geval dan ook nog als uitkomst dat, uit coalitieoverwegingen, uiteindelijk niemand zich verantwoordelijk mag maken.

In mijn ogen is er na zo'n ramp en zo'n duidelijk rapport maar één reactie mogelijk. De betrokken bestuurder(s) maken zichtbaar dat zo'n rapport er toe doet. Ze maken zichtbaar dat ze zich ervan bewust zijn dat het gegeven vertrouwen van de kiezers geschonden is. Het kan toch niet zo zijn dat gewoon wordt overgegaan tot de orde van de dag.

Ik zou er prijs op stellen dat bestuurders zich bewust zijn van hun positie en aftreden. Dat geeft ruimte om zich opnieuw (als dat hun ambitie is) te onderwerpen aan de vertrouwensvraag aan de kiezer door zich te kandideren. In dit verband is het overigens merkwaardig dat afgetreden bestuurders zich, volgens de lokale krant Tubantia, geen kandidaat zouden moeten willen stellen terwijl de `zittenblijvers' hun carrière gewoon kunnen voortzetten.

Het aftreden schept ruimte voor getroffenen om een minder beladen begin te kunnen maken met `wederopbouw'. Het schept mede ruimte voor slachtoffers om met de toekomst bezig te gaan. Het geeft vertrouwen in het zelfreinigend vermogen van de overheid. Het maakt letterlijk zichtbaar dat ook de overheid (symbolisch) lijdt onder de gevolgen van de ramp. En het biedt de kiezers de mogelijkheid vertrouwen te geven of te onthouden.

Wanneer betrokken bestuurders blijven zitten en overgaan tot de orde van de dag schaadt dit de vertrouwensrelatie tussen overheid en haar burgers. de schade die daardoor ontstaat laat zich moeilijk meten, maar het is niet ondenkbaar dat de politiek (en daardoor de overheid) mede door dit soort zaken als steeds minder gezaghebbend zal worden beoordeeld.

Dick Buursink is gemeenteraadslid voor de PvdA in Enschede. Daarvoor was hij wethouder leefbaarheid en wonen.