Indisch ressentiment

In de gezelligheid van de Pasar Malam, de jaarlijkse Indische avondmarkt in Den Haag, klinkt ,,wrok en verbittering door'', lees ik in de Volkskrant van gisteren. Ik weet het niet, ik ga er zelf, al ben ik een Indo, niet heen. Maar ik kan me er gezien mijn achtergrond van alles bij voorstellen. Wrok en verbittering zijn mij met de rijstlepel ingegoten. Wrok en verbittering zag ik op de gezichten van andere Indo's toen ik me eens in het Centrum 40-45 te Oegstgeest ging oriënteren. Ik wilde er zo snel mogelijk weg. De glimlachjes van verwantschap in het lijden die mij werden toegeworpen door de mensen die ik daar door de gangen zag lopen, vond ik onverdraaglijk. `Hier wil ik niet bij horen, dacht ik. Ik ben er nooit meer geweest, terwijl mij dat van verschillende kanten sterk is aangeraden. Maar liever lijd ik aan een, door mijzelf niet maar door therapeuten wel, als zodanig benoemd tweede-generatieoorlogstrauma, dan dat ik ooit zal capituleren voor het samenzijn met het eeuwig gekwetste en onbegrepen deel van de zogeheten Indische gemeenschap. Ik spreek in termen van capitulatie. Ik voer een oorlogsdiscours. Dat schijnt een kenmerk te zijn van getraumatiseerde mensen zoals ik. Net zoals het wantrouwen waarmee mijn blik op de wereld is gekleurd. Zo zij het. Ik prefereer een dergelijke levenshouding boven wrok en verbittering. Ik ben een verrader van het Indisch ressentiment. Ik moet er niets van hebben.

Waarover gaat de verbittering die de zoete klanken van de krontjong en tempo doeloe-gesprekken van de Pasar Malam doorkruist? Over de belabberde situatie in de voormalige kolonie? Neen. Over de kwaliteit van de nasi goreng? Ook niet. Over de Japanse ereschulden? Dit keer eens niet. Een groot deel van de Indische gemeenschap is verbitterd over `het Indisch gebaar', een bedrag van drieduizend gulden voor iedereen die tussen 1942 en 1945 in Nederlands-Indië woonde en vóór 1967 repatrieerde. Het gaat om een, in de woorden van minister Zalm, vergoeding van ,,vermoedelijk gemaakte fouten tijdens de periode van gebrekkig rechtsherstel en niet voor schade door en tijdens de oorlog''. Het Indisch Platform dat zich heeft opgeworpen als de nationale spreekbuis van de Indische gemeenschap, houdt het op een vergoeding voor de koele wijze waarop mensen uit Nederlands-Indië in Nederland na de Tweede Wereldoorlog werden ontvangen.

Over die ontvangst gaat het recent verschenen boek De uittocht uit Indië 1945-1995 van Wim Willems. Willems gaat diep in op het gevoel van veel Indische Nederlanders dat zij bij aankomst in het vreemde Nederland als tweederangsburger zijn behandeld. Hij laat zien dat deze ervaring voor een deel is terug te voeren op het gegeven dat de Nederlandse overheid en de rest van de samenleving de Indische Nederlanders als een aparte bevolkingsgroep beschouwden. Dat was in zekere zin terecht. Veel Indische Nederlanders dachten er zelf ook zo over. Zij hadden andere oorlogservaringen, ervaring met kampen, een revolutie en de repatriëring. Daarnaast had men onmiskenbaar een andere culturele achtergrond.

Daarbij kwam nog, stelt Willems, dat de dekolonisatie het westerse zelfbeeld onder druk zette. Er was in het verzuilde, uit de bezetting opkrabbelende Nederland geen ruimte voor een koloniaal verleden en alle daarbijhorende verhalen. Wrang is dat de overheid zich ook nog had verkeken op het aantal mensen dat uiteindelijk uit de voormalige kolonie naar Nederland zou repatriëren. Er bestond in de kringen van bestuurders het idee dat zij die daar geboren en getogen waren, in Nederlands-Indië zouden blijven of er naar toe zouden terugkeren. Daarbij werd voorbijgegaan aan het feit dat de meeste Indische Nederlanders, ook die van gemengd bloed, de Indo's, zich identificeerden met de Nederlandse taal en cultuur.

Ondanks deze verkeerde beeldvorming en de in het begin van de repatriëring bestaande angst van de Nederlandse overheid dat de nieuwe landgenoten uit Nederlands-Indië zouden kunnen ontsporen, verliep de reïntegratie van de Indische Nederlanders zonder problemen. Maar daarmee was, stelt Willems, ,,hun Indische verleden nog niet opgenomen in het nationale geheugen. Pas in de jaren negentig lijkt de Indische gemeenschap definitief uit de schaduw van de geschiedenis te zijn getreden.''

Maar het plaats innemen in de geschiedenis verloopt niet vlekkeloos en zeker niet tot tevredenheid van een groot deel van de Indische gemeenschap. Vrijwel alles wat wordt ondernomen om tegemoet te komen aan de wensen van deze groep wordt als een beledigend loos gebaar terzijde geschoven. De Volkskrant vond op de Pasar Malam de volgende opmerking in een discussieschrift over het `Indisch Gebaar': ,,Een jood laat zich niet afkopen met een jodenfooi. Daar moet je een Indo voor zijn!'' ,,De asielzoekers van tegenwoordig zijn beter af als wij toen'', spreekt een andere stem. In het Indische E-zine Blimbing vond ik eenzelfde soort opmerkingen: ,,Het is grenzeloos naïef om te denken dat de Indische Nederlanders ook maar een honderdje zouden krijgen als niet de Joodse wiedergutmachung (sic.) met de Zigeuners achterop de bagagedrager niet zo opzichtig hoog was uitgevallen.''

Dan is er ook nog de onderlinge verdeeldheid van de verschillende Indische organisaties. Men wordt `verneukt' door de regering én door de eigen mensen. Maar dat moet volgens Renee Stoute in Blimbing nu maar eens een gepasseerd station zijn. De geleerde les moet ,,aan de nazaten worden meegegeven. Opdat nooit wordt vergeten. Minder nog: vergeven''. Nu is vergeven ook niet mijn sterkste kant. Maar ik voel me niet geroepen om verder te leven met hetzelfde ressentiment als mijn ouders en grootouders. Het was iets van hen, waar ik als in Nederland geboren kind nooit werkelijk in mocht delen, terwijl het wel mijn kindertijd beheerste. Moet ik dat alles koesteren ter ere van mijn verwekkers? Noem mij een verrader, noem mij een `verneuker', maar deze Indische dochter past daarvoor.