Gewetensbezwaren

DE BURGEMEESTER van Amsterdam, Cohen, liet zich speciaal benoemen tot ambtenaar van de burgerlijke stand om de eerste homohuwelijken in zijn gemeente te kunnen voltrekken. Hij had als staatssecretaris van Justitie de niet geheel onomstreden wet door het parlement geloodst.

Andere ambtenaren van de burgerlijke stand hebben het er echter maar moeilijk mee. In Amsterdam dreigde wethouder Dales eind vorig jaar preventief met schorsing en ontslag als deze functionarissen zouden weigeren de democratisch totstandgekomen wet uit te voeren. In Leeuwarden wordt nu de proef op de som genomen. Een trouwambtenaar die tweemaal weigerde een homohuwelijk te voltrekken, heeft tot 1 september de keuze gekregen: meewerken of de aanstelling wordt niet verlengd.

Het is niet de eerste keer dat het probleem van de ambtenaar met gewetensbezwaren zich voordoet. Vooral de jaren tachtig zag een hausse. Politiemensen weigerden in ME-verband op te treden tegen anti-atoomdemonstranten, medewerkers van sociale diensten weigerden uitvoering te geven aan de zogeheten voordeurdelersregeling, een douaneambtenaar wilde niet in het geheim rapporteren over een naaste collega bij de gemeente.

De ambtenaar van de burgerlijke stand in Leeuwarden behoort naar het zich laat aanzien tot de klassieke categorie van gewetensbezwaren met een duidelijke religieuze of levensbeschouwelijke basis tegen werken op zaterdag of zondag, tegen het geven van seksuele voorlichting op school of meewerken aan abortus, sterilisatie of euthanasie. Het knelpunt is dat een ambtenaar geen willoos werktuig van de overheid is, maar dat de ambtelijke hoedanigheid wordt gekenmerkt door een bijzondere eigenschap, trouw aan de wet.

De uiterste consequentie van dit soort conflicten is sinds het rapport `De ambtenaar met gewetensbezwaren' uit 1983 in principe duidelijk: ontslag wegens gewetensbezwaren. Maar dat is pas mogelijk na een zeer zorgvuldige procedure. Op zijn minst zo belangrijk is de voorwaarde dat eerst moet worden onderzocht of een ander takenpakket binnen de organisatie niet mogelijk is. Als staatssecretaris heeft Cohen bij de parlementaire behandeling van de wet op het homohuwelijk uitdrukkelijk gewezen op deze uitweg, zoals zijn voorgangster al had gedaan bij de invoering van het geregistreerd partnerschap.

DEZE PRAGMATISCHE oplossing is afdoende zolang het aantal weigeraars beperkt blijft. Een ambtelijke dienst moet maar één gezicht tonen. Bovendien heeft zo'n uitvlucht principieel iets onbevredigends, maar daarbij moet wel worden bedacht dat hij alleen geldt voor `oude' ambtenaren. Nieuw intredende ambtenaren weten waaraan ze beginnen en niemand is verplicht bij de overheid te gaan werken. In het geval van het homohuwelijk is de scheiding van kerk en staat ook voor zittende trouwambtenaren trouwens allang een gegeven. Het huwelijk dat zij sluiten heeft volgens de wet alleen betrekking op de `burgerlijke betrekkingen'. Aan de sacrale en emotionele dimensie heeft de staat die zij vertegenwoordigen geen boodschap, hoezeer de ambtenaar die ook persoonlijk mag ervaren. Trouwambtenaren zijn dus gewend ambtsvervulling en persoonlijke overtuiging uit elkaar te houden. Dat dient een rol te spelen bij de beoordeling van de gewetensbezwaren. Ook al geldt per definitie dat een diepste overtuiging zich niet door een ander laat voorschrijven.