Gered!

De zon staat stralend aan een helblauwe hemel. De natuur pronkt uitdagend, overmoedig en sensueel. Boterbloemen, koolzaad, zuring, fluitenkruid sieren de berm. Achter rietkragen verschuilen zich eenden, waterhoentjes, meerkoeten en een enkele zich spiegelende zwaan.

C. en ik hebben de fiets genomen. De stad en de ruisende ringweg verdwijnen naar de achtergrond. Een lichte bries uit het oosten streelt de polders. Pas gemaaide weilanden tekenen lichtere vlakken in het groen.

Als we over een wildrooster hobbelen, klinkt onder ons gepiep, kleine vogelstemmetjes vol wanhoop. We stappen af en kijken verwonderd door de spijlen in de betonnen bak onder het rooster. Vier eendenpulletjes – ze zullen nauwelijks een dag oud zijn – rennen vertwijfeld met gespreide vlerkjes of wat daarvoor moet doorgaan, over de bodem op en neer. Aan alle kanten stuiten ze op hoge wanden. We gaan op onze knieën zitten. Het piepen wordt nog smartelijker. Waar is de moedereend? Die moet nog in de buurt zijn! We kijken of het rooster opgelicht kan worden. Het zit muurvast. Een hopeloos geval. C. probeert een arm tussen de spijlen door te wurmen. Maar ze haalt de bodem niet. Haar hand graait tevergeefs naar de zwartgele, donzen vogeltjes. Ik ga op zoek naar een plankje. Waar vind je dat in een weiland? Ik kom terug met iets dat er op lijkt. C. steekt het schuin tussen de spijlen naar beneden. Het is te kort.

Voorbijgangers blijven staan. Een enkeling met commentaar: ,,Laat toch zitten. Dat is de natuur. Daar doe je niets aan!''

,,Loopt u even door met die hond'', zegt C. bits. Ze is hardnekkig. Ze merkt dat de donzen wezentjes bereidheid vertonen zich te laten redden. Een ervan loopt tegen het plankje op naar boven maar duikelt er – met redding in zicht – weer af. C. wurmt haar arm opnieuw door de spijlen, beweegt het plankje in de richting van de slachtoffertjes, spreekt ze sussend toe, maakt lokkende geluidjes. Ze neemt het sarcasme van toeschouwers die haar actie zinloos achten, op de koop toe.

Ik ga langs de slootkant op zoek naar de moeder. Er vaart een kluitje eenden voor me uit. Maar de pullen zijn te groot. Verderop zie ik een eend met drie kleintjes. Het zou het verminkte gezin kunnen zijn. Ik drijf het voorzichtig de sloot door in de richting van het opstootje. De moedereend kwaakt verontrust, de veertjes op haar kop gaan overeind staan. C. ligt nog op haar buik op het rooster. Ze heeft één pulletje eruit gehengeld. Een klein meisje uit het publiek komt ermee naar mij toe lopen. Een donker kopje met een zwart snaveltje steekt uit haar gesloten handjes. Ik neem het eendje van haar over en voel de vochtige, niets wegende paniek. We laten het in het water zakken. Het piept, de eend kwaakt, het rept zich – over het water hollend – naar de moeder. We kijken of die het als haar kind accepteert en niet agressief wegpikt. Dan zijn we nog verder van huis! Ze lijkt het te aanvaarden. Inmiddels komt er weer iemand aanlopen met een gered exemplaar.

C. hangt met haar arm door het rooster, het loopplankje manipulerend, geduldig wachtend of de overgebleven kleintjes er gebruik van willen maken, zacht pratend om hun vertrouwen te winnen, ondergedoken in een andere wereld.

Ten slotte neemt het kleine meisje het laatste eendenkind in haar handpalm en maakt – `ik doe de moeder na' – kwakende geluidjes. We laten het te water. De operatie is voltooid. De eend zwemt weg met haar herenigde kinderschaar. Het groepje toeschouwers lost op. Men zet zijn zondagse tochtje – wandelend, fietsend, skeelerend – door de polder voort.

C. ligt nog op haar buik.

,,Kom'', roep ik, ,,we gaan!''

,,Ik krijg mijn arm er niet uit!''

Ik loop naar haar toe. Haar arm zit klem tussen de spijlen. ,,Logisch al het bloed is erin gestroomd.'' Ik kniel op het rooster om assistentie te verlenen.

,,Au! Je trekt te hard'', roept C.

,,Rustig! Geen paniek'', roep ik.

Ik kijk om me heen. Geen mens te zien. Alleen natuur. ,,Er zit niets anders op'', concludeer ik na herhaalde pogingen, ,,ik zal de brandweer moeten bellen.''