De schildersrazernij van Haarlem

De Haarlemse schilders dronken 's avonds thee in plaats van koffie, en daarmee wilden ze zich onderscheiden van het `gemene volk'. Diezelfde kunstenaars uit het begin van de vorige eeuw beschouwden zichzelf als geheiligden, die het hoogste doel nastreefden, namelijk het scheppen van schilderijen voor de eeuwigheid. Tussen 1900 en 1930 woedde er in de stad aan het Spaarne zelfs een `schildersrazernij'. Alles en iedereen wilde schilderen. Tegelijkertijd sloten de kunstenaars zich af van sterk vernieuwende stromingen uit het buitenland, zoals kubisme en fauvisme. De Haarlemse kunstschilder bleef bij zijn traditionele onderwerp: het stilleven, een landschap, het portret en, soms, een naakt. Maar nooit zo uitdagend naakt dat het aanstoot zou kunnen geven.

Deze elkaar tegenwerkende krachten zijn fraai te zien op de tentoonstelling De bloei van Haarlem. Het kunstleven in de jaren 1900-1930 in de Vleeshal van het Frans Halsmuseum aan de Grote Markt van Haarlem. Keurigheid en lef, vernieuwingsdrang en behoudzucht zorgen voor verrassende tegenstellingen. De schilders zelf geven graag de Haarlemse burgerij de schuld van het artistieke conservatisme van die stad. Zo schreef een kunstcriticus die zich `Leonardo' noemde in 1913: ,,Het is of deze stad met volstrekte onverschilligheid voor beeldende kunst behept is, er heerscht een soort visschige kilheid, een doodschheid, waar met den besten wil geen leven in te blazen is.'' En kunsthandelaar De Bois oordeelde dat `Haarlem geen stad is voor beeldende kunst'. Desondanks heet de expositie Bloei van Haarlem, evenals de bijbehorende catalogus. Die bloei is dan ook misschien meer ijver, nijverheid,dan werkelijke geïnspireerdheid, op enkele uitzonderingen na.

Contrasten, daar draait het om. Een hoogtepunt van de expositie vormt het kubistisch-luministische doek Mallorca (1914) van Leo Gestel. In okergele, waterblauwe en bosgroene vlakken bouwt Gestel een haast swingend havengezicht op van huizen, vissersboten, een kademuur. Een dynamisch, ongekend kleurrijk en krachtig werk. De band tussen Gestel en Haarlem is echter betrekkelijk minimaal. Doorslaggevend is dat Mallorca in 1915 getoond werd op de tentoonstelling van `Ultramoderne schilderkunst' van de Haarlemsche Kunstkring. In andere schilderskringen zou een dergelijke vlammend-vernieuwende vonk overslaan op andere kunstenaars, in Haarlem echter niet. Vergelijk met Mallorca maar eens de krijttekening Bakenessertoren (1915) door Rens Lensselink. Werelden van verschil. Onmiskenbaar is de ranke, als kristallijne spits van de Bakenesser sfeervol weergegeven tegen een getinte avondlucht, dwingend van een nooit eerder vertoonde zeggingskracht is het werk echter niet.

Even liefelijk van sfeer is het olieverf Rijnsburg (ca. 1908) door Anton L. Koster, een van de bekendste Haarlemse schilders van tulpenvelden. Gele en rode tulpen vormen de voorgrond, daarachter de witgeverfde huizen van het dorp met in het midden de kerktoren. Gelukkig is er ook het werk van de intrigerende Haarlemse kunstenaar H.F. Boot te zien, de geestverwant van Kees Verwey. Boot kan in Stilleven met emmer (1905) toveren met lichtval op een wijnglas, de fles, porseleinen kopjes. Schilders van onbetwiste allure als Otto de Kat, Piet Wiegman en Herman Kruyder geven aan het Haarlemse kunstleven, en vooral aan het wat benauwende leven dat zich afspeelt in een vereniging als Kunst Zij Ons Doel, weer het nodige cachet. Het schilderij De brief (1926) van Kruyder vormt, terecht, het openingsbeeld van de tentoonstelling. Een vrouw met schrikachtige ogen, strak gekamd blond haar, staat tegen een inktblauwe achtergrond. Tegen haar borst houdt ze een brief geklemd. Met de linkerhand maakt ze een afwerend gebaar, alsof ze het noodlot, dat besloten ligt in de brief, vergeefs van zich af wil duwen.

Welke vooraanstaande schilder ik mis, zowel op de expositie als in de catalogus, is Lodewijk Schelfhout die in Zandvoort woonde. HIj was een van de eerste kubisten in Nederland, vertrok in 1904 naar Parijs waar hij zich lieerde met het Franse modernisme, onder andere de theoretisch goed onderlegde schilder Henri Le Fauconnier. De omissie van Schelfhout is ook te betreuren omdat een bosgezicht van hem wél aanwezig was op de openingstentoonstelling van de nieuwe zaal van het Frans Halsmuseum in 1931. Een foto in de catalogus bewijst dat. Ernaast hangt trouwens de al genoemde Bakenessertoren van Lensselink.

Kunsthistoricus Michael Huig gaat in het boek gedetailleerd in op de eeuwige haat-liefde verhouding die Haarlemse kunstenaars met hun stad hebben, een gespleten karaktereigenschap die ook tal van schrijvers uit die stad niet vreemd is. Ze voelen zich te goed voor de burgerij, en weer gering jegens vernieuwend elan uit het buitenland. Huig schrijft over `het raadsel Haarlem', over een stad die kunstvijandig is én tegelijk volop kunstproductief. Veelzeggend zijn de talloze foto's en tekeningen in de catalogus van bijeenkomsten van de Haarlemse kunstverenigingen, zoals de schets in krijt van A.G.A. Van Rappard. In enkele lijnen zet hij de tekenaars neer van de vereniging Kunst Zij Ons Doel. Geen wereldbestormende individualisten, maar toegewijde jongemannen en heren met snorren die, als oppassende leerlingen in een klaslokaal, gebogen zitten over hun tekenvellen. IJverig, maar niet brandend van ambitie.

Een eenling als Lodewijk Schelfhout hield diezelfde kunstenaarsvereniging na twee jaar voor gezien, vertrok naar Parijs en vernieuwde zich krachtdadig. Een andere eenling, Leo Gestel, liet zich door het lichtende eiland Mallorca inspireren tot sensueel kubistisch werk. Blijft Verwey over als de `grootste kunstenaar van Haarlem' uit de vorige eeuw. Het raadsel Haarlem, in artistiek opzicht lijdend aan innerlijke verdeeldheid, blijft onopgelost.

Tentoonstelling: De bloei van Haarlem. Het kunstleven in de jaren 1900-1930. Vleeshal Frans Halsmuseum, Grote Markt, Haarlem. T/m 12/8. Dag. 11-17u, zo 12-17u. Catalogus ƒ55,00.