War Requiem gromt en roert

Krijgslustig tromgeroffel, triomfantelijk klaroengeschal en treurende trompettaptoes – oorlog zet aan tot een breed spectrum aan muzikale expressiemiddelen. Ook het War Requiem van Benjamin Britten voorspelt uitbundig de jongste dag, maar Britten verpakte zijn jobstijdingen met een zeldzame rijkdom aan dimensies.

Het War Requiem opende twee jaar geleden het grootscheepse World Symposium on Choral Music in Rotterdam, en kwam daar zaterdagavond met een deels gelijke bezetting opnieuw tot klinken als slot van de serie `Oorlog en Vrede' die De Doelen in samenwerking met de AVRO organiseert. Om de bezoeker ook tot een abonnement op de serie voor het volgend seizoen te verleiden, was er na afloop een nazit met prijsvraag. Meer wervingskracht ging echter uit van de uitvoering van het War Requiem, die ondanks afzeggingen van zowel sopraan- als tenorsolist uitgebalanceerd klonk en – daardoor – zowel tumultueus als aangrijpend.

De bezetting met twee orkesten, drie koren en drie solisten onder drie dirigenten geeft het War Requiem een indrukwekkend podiumaangezicht, maar dient bovenal een inhoudelijk doel. Op de voorgrond van de partituur wordt gestreden en geleden door de twee mannelijke solisten, voor wie Britten de oorspronkelijke requiemteksten doorweefde met indringende poëzie van de in 1918 in de loopgraven gesneuvelde dichter Wilfred Owen. De invoelend zingende tenor Christopher Gillet en de expressieve, iets meer theatrale bariton Quentin Hayes werden in hun soli begeleid door een kamerorkestje. Dat was hier samengesteld uit de geledingen van het Radio Filharmonisch Orkest, en werd geleid door Edo de Waart, die deze twee uitvoeringen van het War Requiem precies tussen de laatste voorstellingen van Boris Godoenov bij De Nederlandse Opera door dirigeert.

De Waart gunde zijn oud-assistent Lawrence Renes de eer het `grote deel' van het Radio Filharmonisch Orkest te dirigeren. Renes koos voor een benadering waarin hij de dramatische toon van het War Requiem gecontroleerd uitlichtte en met brede gebaren benadrukte, zonder daarbij te struikelen over de drempel met bombast. Het orkest zorgde ook voor een nergens te luide begeleiding van sopraan Dagmar Schellenberger, die haar veeleisende en afwisselende partij moeiteloos invulde, en een uitstekend vervangster bleek van Luba Orgonasova.

De grootste indruk maakte het Groot Omroepkoor in het nu eens extatische paniekzaaiende, dan weer zalvend troostende kooraandeel. Zo soepel bleken de koorklank en de dictie, dat de woorden van de Requiem-tekst als lobbige druppeltjes over het orkestrale weefsel spatten. Ook in het puntige Dies Irae en het grommende Quam olim Abrahae realiseerde het Groot Omroepkoor een bewonderenswaardige mix van precisie en intensiteit.

Doordat Lawrence Renes het Radio Filharmonisch Orkest steeds zeer oplettend dirigeerde en de klankbalans strak in handen hield, stroomden de verschillende invalshoeken `strijd' (tenor en bariton), `klacht' (sopraan en koor) en `troost' (het uitstekend zingende jongenskoor) aan het slot samen tot een aangrijpend driedimensionaal klankbeeld van oorlog. Deze uitvoering van het War Requiem maakte het motto dat Britten voorin zijn partituur noteerde akelig navoelbaar: ,,Al wat een dichter nu kan doen, is waarschuwen.''

Concert: War Requiem van B. Britten door het Radio Filharmonisch Orkest, Groot Omroepkoor, Groot Omroepjongenskoor, Roder Jongenskoor o.l.v. Lawrence Renes en Edo de Waart m.m.v. Dagmar Schellenberger, Christoph Gillet en Quentin Hayes. Gehoord: 23/6 De Doelen, Rotterdam. Herh.: 26/6 Concertgebouw, Amsterdam. Radio 4: 28/6, 20 uur.