Levendig verteller slachtoffer van zijn eigen talent

De bejubelde Amerikaanse historicus Joseph Ellis heeft nooit gevochten in Vietnam, zoals hij altijd heeft doen voorkomen. En hij heeft ook geen beslissende goals gescoord voor zijn school-team. Zijn reputatie is geschonden, wat zijn motieven ook waren.

Vietnam heeft weer een naoorlogs slachtoffer gemaakt. In april moest oud-senator Bob Kerrey bekennen dat hij destijds onschuldige vrouwen en kinderen had vermoord. Vrijdagavond stond de bejubelde Amerikaanse historicus Joseph Ellis voor een gehoor van vakgenoten in de trotse National Archives in Washington. Hij moest toegeven dat hij zich jarenlang ten onrechte een verleden als pelotonscommandant in Vietnam heeft aangemeten.

,,Een paar weken geleden wist ik niet hoe moeilijk deze avond zou worden'', zei Ellis, die in april de Pulitzer Prize won voor zijn Founding Brothers, the revolutionary generation, een portret van zeven grondleggers van de Verenigde Staten. Hij sprak zijn diepe spijt uit dat hij als hoogleraar aan Mount Holyoke College ,,het idee had doen postvatten en laten voortbestaan'' dat hij in Vietnam had gediend. ,,Nadat ik deze lezing heb volbracht, zal ik mij wijden aan mijn gezin en mijn persoonlijke tekortkomingen''.

Eerder in de week had hij al schriftelijk zijn excuses aangeboden ,,aan mijn gezin, vrienden, collega's en studenten voor deze en andere verdraaiingen betreffende mijn persoonlijk leven''. De academische gemeenschap in Massachusetts waar hij bijna dertig jaar toe behoort, reageerde eerst ferm, daarna geschokt, en sindsdien beschaamd op het bericht in de Boston Globe. De krant had in de archieven vastgesteld dat Ellis het land tijdens de Vietnam-oorlog niet had verlaten, maar geschiedenis had gedoceerd aan de militaire academie van West Point.

De reportage had het niet gemunt op de geloofwaardigheid van Ellis' historische werk. Hij won de National Book Award in 1997 voor zijn American Sphinx, een grensverleggende biografie van Thomas Jefferson. In '98 was Ellis mede-auteur van het geruchtmakende rapport dat vaststelde dat Jefferson inderdaad de vader was van het jongste kind van zijn slavin Sally Hemmings. Het rapport verscheen kort voor het impeachment-proces tegen president Clinton wegens de Lewinsky-affaire begon.

De natuurwetenschapper in de commissie die dat rapport publiceerde, zette twee maanden later in Nature grote vraagtekens bij de stelligheid van de centrale stelling van het rapport. Dat werd door de pers nauwelijks gemeld en is Ellis niet aangerekend. De Boston Globe stelde vorige week overigens wel vast dat ook twee andere claims, die de historicus eerst zijn studenten en gaandeweg ook interviewers voorhield, onhoudbaar zijn. Hij heeft geen rol van betekenis gespeeld in de burgerrechtenbeweging en hij heeft geen beslissende goals gescoord voor zijn school-football-team.

De meest onschuldige vraag die men zich nu stelt is: wat heeft een man met een groeiende nationale reputatie en een immens succes in de boekhandel ertoe bewogen zich zo in de nesten te werken? Hij schreef in The Washington Post zeker twee stukken waarin hij verwees naar zijn ervaring als parachutist in Vietnam. Ellis won prijzen omdat historici niets hadden aan te merken op zijn onderzoek, en omdat andere Amerikanen zijn boeken meeslepend vonden.

Dat leidde in The New York Times tot mogelijk veel vernietigender twijfel aan Ellis' methoden van geschiedbeoefening. De eerste dagen na de onthulling kwamen verschillende collega's nog op voor Ellis' reputatie als historicus. De president van Mount Holyoke vocht de motieven van de Boston Globe aan en verklaarde zich trots dat Ellis tot de wetenschappelijke staf behoorde. Een voorganger stelde Ellis op één lijn met de historici Arthur M. Schlesinger Jr. en John Demos. Een ander begreep best dat Ellis wat moest doen om ,,een door toedoen van MTV comateuze generatie studenten'' bij de les te houden. En Demos, hoogleraar aan Yale University (waar Ellis eens promoveerde), noemde Ellis ,,een van de meest begaafde historici van zijn generatie'' – bovendien één die strikte normen hanteert over de feitelijke onderbouwing van goede geschiedschrijving.

Eric Foner, hoogleraar aan Columbia University en oud-voorzitter van de American Historical Association, kon zich iets anders voorstellen: ,,Een van de knappe kanten van zijn werk is dat hij situaties in het verleden met een verbazingwekkende levendigheid kan beschrijven. Misschien is hij in dat opzicht slachtoffer geworden van zijn eigen talent.''

Gisteren citeerde The New York Times meer kritische historici. ,,Het vermogen zich in te leven in een historische figuur is een van de meest waardevolle die een historicus heeft'', zegt Michael Kazin van Georgetown University, ,,maar het is ook riskant als je je meelevende emoties niet kunt beheersen en de ervaringen van je onderwerp met je eigen leven wilt vervlechten''. Michael Kammen van Cornell gaat nog een stapje verder: ,,Heeft hij Jefferson eigenschappen toegeschreven die niet zozeer aan zijn onderwerp toebehoren maar eerder autobiografisch van aard zijn?''

Mount Holyoke College heeft bekend gemaakt dat het college over `Vietnam en de Amerikaanse cultuur' van professor Ellis met onmiddellijke ingang is vervallen. Men stelt een onderzoek in. Uitgeverij Knopf noemde het lot van haar auteur, die nu al weer 26 weken op de non fiction-toptien van The New York Times staat, ,,een persoonlijke crisis'' die zijn geloofwaardigheid niet aantast. Maar een klein gevoel van opluchting zal men daar wel voelen. Joseph Ellis diende enige jaren geleden een voorstel in voor een geschiedkundig werk over de oorlog in Vietnam. Knopf ging er niet op in ,,omdat het te ver van Ellis' terrein lag''.