Kyoto-heffing

In Gotenburg waren de leiders van de Europese Unie en de Amerikaanse president Bush het over één ding in ieder geval eens: dat zij het oneens waren over het Kyoto-protocol als instrument ter beperking van het broeikaseffect. Bush voert voor zijn afwijzing van `Kyoto' vooral economische redenen aan: de gemaakte afspraken zouden een te zware belasting zijn voor het Amerikaanse bedrijfsleven. Een nadere onderbouwing daarvan met harde cijfers bleef tot nu toe achterwege. Toch is juist zo'n becijfering broodnodig. Minister Pronk zou er als voorzitter van het milieu-overleg goed aan doen bij de voornaamste betrokkenen, dus niet alleen de VS maar ook Europa, Japan, Canada, Australië, Nieuw Zeeland, op zo'n berekening aan te dringen.

Zo'n kostenberekening is onder meer nodig omdat er wanneer een land om met name economische redenen niet meer mee wil doen, een duidelijk geval van concurrentievervalsing ontstaat. Het bedrijfsleven in zo'n land wordt onrechtmatig bevoordeeld in de concurrentie op de wereldmarkt. De becijferingen van de kosten van Kyoto voor de VS en voor de wel deelnemende industrielanden kunnen aangeven in welke mate dit het geval is.

Er is dan een duidelijke rechtvaardiging voor het uitschakelen van de concurrentievervalsing door het invoeren van een `Kyoto-heffing' op de uit het niet deelnemende industrieland geïmporteerde producten. Landen waar de industrie nog in een ontwikkelingsfase verkeert moeten daarvan worden uitgezonderd. Voor de Wereldhandelsorganisatie (WTO) moet het niet-aanvaarden van de consequenties van een VN-conventie voldoende reden zijn om zo'n heffing goed te keuren. De hoogte ervan moet gebaseerd zijn op de lasten die het bedrijfsleven in het importerende land moet dragen ter uitvoering van het Kyoto-protocol. Hiervoor zijn de becijferingen van de Kyoto-kosten onmisbaar.

Een Kyoto-heffing is een goede zaak voor het milieu. Dat de VS er onmiddellijk door zullen worden weerhouden zich uit Kyoto terug te trekken is niet waarschijnlijk. Maar voor de aarzelingen van Japan en andere hooggeïndustrialiseerde landen om bij het uitvallen van de VS zelf wel mee te blijven doen en daarmee een duidelijk concurrentienadeel te aanvaarden kan de door een heffing geboden compensatiemogelijkheid een uitweg bieden. Kyoto zou zo toch wereldwijd – met één uitzondering – kunnen worden veiliggesteld.