Geveld door de blauwe dood

In het begin van de negentiende eeuw dacht men dat `de tijd van algemeen heerschende epidemieën voor Europa voorbij was'. Het was immers al weer anderhalve eeuw geleden sinds de pest met enige regelmaat de stedelijke bevolking decimeerde. Weliswaar was bekend dat in India, vooral in het moerassige Bengalen, een gevreesde kwaal heerste, de cholera asiatica. Maar Bengalen was ver weg.

Geleidelijk aan drong de `Asiatische Buikloop' toch door in andere gebieden, zoals Rusland. Mede door Russische militaire acties tegen de opstandige Polen verspreidde de cholera zich in 1830 in westelijke richting. Via Engelse schepen werd in februari 1832 Parijs bereikt.

Terwijl de Nederlandse autoriteiten zich, bij hun pogingen de ziekte te weren, concentreerden op de zuidgrens, sloop de ziekte via een andere weg binnen. Op 25 juni 1832 brachten met cholera besmette vissers de ziekte in Scheveningen aan wal. Van daaruit verspreidde de ziekte zich over de rest van Nederland. In de aangrenzende provincies verstreken zes tot zeven weken voordat de eerste gevallen gemeld werden. Het waren steeds aan waterwegen gelegen plaatsen waarin de ziekte uitbrak. Maar dat was een gegeven waaraan toen nog geen aandacht werd geschonken.

Na een incubatietijd van twee tot vijf dagen werden de zieken overvallen door ongekend heftige diarree en braken, waardoor deze veel vocht verloren (zo'n vijftien liter per dag). Bij de cholerapatiënt trad zoutverlies op en hij droogde uit. Hij leed onlesbare dorst en kreeg last van pijnlijke spieren. Zijn gezicht viel in, zodat zijn ogen eruit leken te puilen. De stem werd hees en de polsslag zeer snel. Een symptoom waaraan men cholera meende te herkennen, was dat de huid zich niet of zeer traag herstelde wanneer er een plooi in werd geknepen. De huid kleurde blauw, waardoor de cholera ook wel de `blauwe dood' werd genoemd.

Met 65.614 dodelijke slachtoffers was de cholera in de jaren tussen 1832 en 1867 de grootste epidemische doder in Nederland. Ongeveer een op de vijf besmette personen werd ook daadwerkelijk ziek, van wie de helft overleed – soms al enkele uren na het zichtbaar worden van de eerste symptomen, maar meestal na enkele dagen. Vooral mensen die door slechte voeding lichamelijk verzwakt waren en waar de huisvesting veel te wensen overliet, hadden een grotere kans de ziekte op te lopen zodat de cholera een typische armenziekte was. Het maakte voor de overlevingskans overigens niets uit of de zieke geneeskundige verzorging kreeg of niet.

Dit betekent echter niet dat er geen pogingen in die richting ondernomen werden. Integendeel zelfs. Vooral patiënten die op de rand van de dood zweefden, werden met soms huiveringwekkende middelen aangepakt. Door het grote vochtverlies trad er bij cholerapatiënten stremming van de bloedcirculatie op. Hierdoor voelde de zieke steenkoud aan. Indertijd meende men dat het bloed zich in de inwendige organen ophoopte en verdikt raakte. Het werd van groot belang geacht dit verschijnsel te bestrijden door de huid te prikkelen. Hiertoe plaatste men onder andere pappen en pleisters waarin bijtende stoffen, zoals mosterd, verwerkt waren. Ook werden verhitte metalen voorwerpen gebruikt; er werd heet water op de buik gegoten en zelfs zwavelzuur en ammoniak. Een van de uitwassen was dat er op de buik van de patiënt een in spiritus gedrenkte linnen lap werd gelegd, die vervolgens met een brandende zwavelstok werd aangestoken. Na vijf tot acht seconden werd de vlam dan gedoofd door er een deken over te gooien.

In deze gevallen was van kwakzalverij geen sprake. Integendeel, het ging om met de toen beschikbare kennis wetenschappelijk verantwoord medisch handelen. Zo vertelde G.J.Mulder, geneesheer in Rotterdam en na 1840 hoogleraar scheikunde in Utrecht, dat hij tijdens de epidemie van 1832 vaak geen tijd had om – als er braaksel van een patiënt over hem heen was gekomen – schone kleren aan te trekken. ,,Ze moesten droogen onder het bezoeken van nieuwe cholera-zieken'', zei hij.

Voor Mulder stond vast dat vuil de grootste vriend van de cholera was. Hij had dan vooral de bedsteden op het oog en het vuil in het voedsel van de armen, in het bijzonder de halfbedorven goedkope vis. Andere wetenschappers zochten de oorzaak elders. De Londense arts John Snow beweerde – naar later bleek terecht – dat de ziekte via het drinkwater verspreid werd. De Duitse geleerde Max von Pettenkofer lanceerde de theorie dat de cholerakiem via excrementen verspreid werd, waarbij de uitwerpselen pas gevaarlijk werden als er door lokale omstandigheden tijdens het rottingsproces gifstoffen ontstonden.

De onzekerheid bij de medici was voor de overheden voldoende aanleiding om een zekere onwil ten toon te spreiden om zelf initiatieven te nemen tegen cholera-epidemieën. Deels werd dit veroorzaakt door de chronische geldnood van de overheid. De traagheid was echter ook een gevolg van de principiële onwil om in de particuliere sfeer van de burgers in te grijpen. Tijdens de epidemieën was de aandacht voor hygiëne weliswaar groot, maar als de ziekte was verdwenen, verviel men weer in de oude zonden.

Voor de Utrechtse arts H.J. Broers was dat aanleiding om in 1853 – toen de cholera weer eens naderbij sloop – in een uitvoerig krantenartikel tegen deze achteloosheid te waarschuwen: ,,Alles is nog zoo als het vroeger was, en al die onbewoonbare, stinkende vuile krotten, die broeinesten der cholera, kunt gij nog zien als ge lust hebt. Ze zijn nog geheel onveranderd.''

Het duurde na deze wanhoopskreet van Broers nog eens dertig jaar voordat Robert Koch de kommavormige cholerabacterie ontdekte en aantoonde dat deze via het drinkwater in het darmkanaal belandde. Ook al was dan vanaf 1883 de oorzaak bekend, dat betekende nog niet dat er een effectief geneesmiddel was. Wie de ziekte opliep tijdens de laatste aanval in 1894, had even weinig kans dat medicamenten zouden baten, als degene die er in 1832 door werd aangetast.

P.D. 't Hart, Utrecht en de cholera, 1832-1910 (Zutphen, 1990).