Genadeloos precies, wars van emotie

In haar huis in Badhoevedorp overleed zaterdag op 89-jarige Henriëtte Boas, icoon van het ingezonden brieven schrijven in de twintigste eeuw.

Juist dit weekeinde nog vroegen een kennis en ik ons af hoe het met Henriëtte Boas zou gaan. Geen van ons had de laatste tijd in de kranten nog ingezonden brieven van haar gelezen en dat leek ons een veeg teken. Henriëtte Boas en de ingezonden brief waren de afgelopen decennia synoniem geworden; met koele vastberadenheid reageerde ze enkele keren per week op artikelen en interviews in de pers, onveranderlijk over joodse zaken.

Feitelijkheid was daarbij het hoogste principe. Ontelbare malen heeft zij Nederlandse joden en niet-joden terechtgewezen inzake Israëlische politiek, joodse cultuur en de omgang met de herinnering aan de Holocaust.

Het medium dat ze voor haar meningen had uitgekozen, de ingezonden brief, tezamen met die onverzettelijke neiging tot rechtzetten, bezorgde haar de reputatie van een excentrieke lastpak, die echter ook schoorvoetend respect afdwong, simpel en alleen al omdat ze in de meeste zaken waar ze zich tegenaan bemoeide, gelijk had. Je kon haar een al te grote letterlijkheid verwijten, en een zeker gebrek aan inlevingsvermogen in de vaak door intense emoties gekleurde debatten die in Nederland na de Tweede Wereldoorlog over de vervolging van de joden plaatsvonden, maar juist haar onsentimenteel en onverbiddelijk vasthouden aan wat zij als de naakte feiten beschouwde, maakten haar ingezonden brieven vaak genoeg indrukwekkend. Nooit sloeg zij een honende toon aan wanneer ze iemand op het verdraaien van feiten had betrapt, ze schuwde de heftig retorische toon die de Nederlandse polemiek na de oorlog kenmerkte. De feiten moesten voor zichzelf spreken.

Haar persoonlijke emoties werden buitenspel gezet met een hardnekkigheid die juist een overweldigende emotionele betrokkenheid deden vermoeden. Grote hartstochten wantrouwde ze. In een interview in het toenmalige weekblad De Tijd, ergens aan het begin van de jaren tachtig, herinner ik me dat ze nogal geprikkeld reageerde op de vragen van de interviewer naar de rol van de liefde in haar leven. Ze achtte respect voor de ander hoger dan liefde, daar kwam haar antwoord op neer. Zo gezien was het medium waarmee ze haar woorden de wereld instuurde, zelf een teken van respect. Ze reageerde steevast volgens de regels van de journalistiek, ze eiste geen eigen podium voor haar meningen.

Een beetje excentriek was ze wel; zeker in de ogen van de zestienjarige middelbare scholier die ik was toen ik haar halverwege de jaren zeventig als lerares Grieks kreeg. Ze had toen al een heel leven achter de rug, een leven waarnaar wij in het vijfkoppige klasje alleen maar konden gissen. Wij wisten niet dat ze voor de oorlog actief was in de zionistische studentenbeweging, dat ze tijdens de oorlog naar Engeland was gevlucht waar ze werk vond als vertaalster en omroepster bij de Nederlandse afdeling van de BBC, dat ze na de oorlog vier jaar in Israël had gewoond, maar het leven daar te hard vond. De Weinreb-affaire, waarin zij als medestander van W.F. Hermans het gelijk aan haar kant kreeg door opnieuw enkel en alleen af te gaan op de feiten, was toen al weggeëbd.

Ze was klein en benig, haar gerimpelde gezicht omkranst door een reusachtige bos grijs haar. Lesgeven deed ze nogal plichtmatig, het grootste gedeelte van de lessen zat ze met een plastic transistorradiootje aan haar oor geklemd. Het nieuws werd van minuut tot minuut gevolgd. Af en toe slaakte ze een krakend kreetje van ontzetting en mompelde dan een verschrikkelijke statistiek: ,,Oh oh dertig doden!'' Als ze niet naar het laatste nieuws luisterde, verstoorde ze de stilte in het klaslokaal door aan één stuk door artikelen die haar interesseerden uit kranten en weekbladen te scheuren. Haar huis, eerst in Amsterdam, later in Badhoevedorp, was letterlijk volgestouwd met boeken en kranten, tot de badkamer en de keuken aan toe. In de plaatselijke bibliotheek behoorde ze tot het meubilair.

In de jaren dat ze Grieks gaf aan het Haarlemmermeer Lyceum in Badhoevedorp, werkte ze nog wel als correspondent voor Israëlische kranten, onder andere voor The Jerusalem Post. In 1988 liet ze zich voor één keer meeslepen door haar emoties, toen ze in die krant tijdens de zogenaamde Fassbinder-affaire gewag maakte van `een golf van antisemitisme' in Nederland. Maar dat was de uitzondering, haar ingezonden brieven behielden hun zorgvuldige afgewogen toon, haar terechtwijzingen bleven dodelijk precies.

Nu er in de kranten en weekbladen geen brieven meer zullen verschijnen die ondertekend zijn met `Henriëtte Boas, Badhoevedorp', besef je hoe aanwezig ze altijd is geweest.