De discovloer glittert en de heupen draaien

In het Utrechtse Beatrix-theater opende gisteren de Nederlandse musicalversie van Saturday night fever. John Travolta zong niet, Joost de Jong doet dat wel.

Het doek gaat open, het hoofd van het vrijheidsbeeld splitst in tweeën – en daar staat Tony Manero, net zoals hij op de filmaffiches voor Saturday night fever en het bijbehorende dubbelalbum stond: de rechterhand gestrekt omhoog, de linkerhand op de heup en de borstkas tot het uiterste gespannen, klaar om een frenetieke discodans te beginnen. De bas zet het pulserende ritme in en even later gieren de gitaren. Tot zover klopt het allemaal. De film uit 1977, die John Travolta tot een wereldster maakte, is een theatermusical geworden.

Maar wat was die film nog méér dan Travolta en die onstuitbare nummers van de Bee Gees, precies toegesneden op diens ongeëvenaarde wie-doet-me-wat-loopje door de straten van Brooklyn? Ja natuurlijk, het ging over de jongen die maar één manier zag om zijn drabbige bestaan te ontvluchten en misschien ooit zelfs de brug naar Manhattan over te steken: door de dans. En dat hij zich, goedbeschouwd, vaak als een narcistische vlerk gedroeg – als zijn haar maar goed zat, en als er maar geen vlek op zijn zaterdagavondblouse kwam – zijn we 24 jaar na dato allang vergeten. Travolta's charme was immers onweerstaanbaar.

De musical volgt het filmverhaal tamelijk trouw, dus ook de scènes die we ons veel minder goed herinneren: bij vader en moeder thuis, met de broer die priester is geworden, en met de straatvechtertjes met wie Tony bevriend is. Het grootste verschil is dat de songs in de film alleen de soundtrack vormden, terwijl ze hier door de hoofdpersonen zelf worden gezongen. John Travolta zong niet, Joost de Jong doet dat wel.

Joop van den Ende presenteert de show in het Beatrix-theater in Utrecht, de vroegere Jaarbeurs-congreszaal, als een open end-productie. De voorstelling gaat niet op tournee, maar speelt door zolang er voldoende publiek op afkomt. De eerste theaterversie van Saturday night fever ging in mei 1998 in Londen in première en kon daar twee jaar blijven staan. In oktober 1999 kwam er een Broadway-versie, die het ruim een jaar volhield. Gemeten naar internationale musical-criteria is dat in beide gevallen niet lang. De show staat dan ook niet te boek als een doorslaand succes. Hoe het op het Europese vasteland zal gaan, moet blijken.

Productioneel is op deze Saturday night fever in elk geval weinig aan te merken. De scènes schuiven efficiënt in elkaar over, de disco is een glanzend glinsterende tunnelbuis, de verspringende lichtvlakken op de dansvloer geven een wervelend effect en het ensemble is bewonderenswaardig soepel in heupen, bekkens en kontjes. Het orkest laat de baslijnen vakkundig stuiteren, terwijl de gitaren janken en schateren, de percussie davert en het koper schettert dat het een aard heeft. Met het ensceneren van een dansmusical hebben we in dit land geen moeite meer.

Het probleem van de show schuilt wat mij betreft in het drama – of beter: het gebrek aan drama. Want wat moeten we met die Tony? Joost de Jong, die eerder in diverse ensembles meezong en -danste, speelt zijn eerste hoofdrol met flair en overtuigingskracht. Hij heeft geen groot zangvolume, maar geeft adequaat partij in de spelscènes en beweegt zich als de beste. Hij weet zelfs zodanig met zijn voeten te schuifelen dat daarin een voorloper van de moonwalk van Michael Jackson te herkennen valt. Zonder de charme van zijn grote voorbeeld uit de film kan hij echter niet doen vergeten hoe gammel en oninteressant de intrige eigenlijk is. Dat is geen schande; in de kritieken op de shows in Londen en New York staat dat ook de Engelse en Amerikaanse hoofdrolspelers er niet in slaagden Travolta te evenaren.

Saturday night fever wordt gespeeld en gezongen in een Nederlandse vertaling. Althans: de meeste teksten zijn vertaald, maar sleuteltermen als being alive, jive talkin' en disco inferno klinken in het oorspronkelijke Engels. Dat geeft af en toe merkwaardige resultaten: ,,Night fever, night fever, zou 't ernstig wezen / night fever, night fever, ik wil niet genezen...'' In de Nederlandse versie van Grease, een paar jaar geleden, waren de dialogen vertaald maar de songs niet. De simpele rock-teksten droegen in dat geval niets bij aan de plot en konden dus makkelijk onvertaald blijven. Hier zijn ze soms wel van belang en soms niet, en dat maakt het lastig. In de meeste dansnummers is de tekst trouwens nauwelijks te verstaan (maar dat was destijds bij de Bee Gees niet veel beter). Verstaanbaar is in elk geval wel How deep is your love, vertaald als: ,,Hoe ver wil je gaan?'' Het is nu een duet tussen Tony en zijn dansvriendin Stephanie, met geloofwaardige nuffigheid vertolkt door de eveneens in een hoofdrol debuterende Chantal Janzen.

Toch liet ook hun aan- en uit-romance me ten slotte onbewogen. Saturday night fever wekt meer de indruk van een marketing-concept dan van een meeslepend creatief idee. De seventies zijn in, de hits hebben nog niets van hun glans verloren en in een soort Brooklyn zullen er altijd jongeren zijn die ervan dromen de brug naar een soort Manhattan over te steken – zo ongeveer moet er door de theaterproducenten zijn geredeneerd. Maar zo makkelijk laat een film zich niet in theater vertalen. Zeker niet als daardoor ook de zwakke kanten van het origineel zo duidelijk zichtbaar worden.

Saturday night fever van Nan Knighton en de Bee Gees door Joop van den Ende Theaterproducties met Joost de Jong, Chantal Janzen e.a. Muziek o.l.v. René Op den Camp en Wijnoud van Klinken. Vertaling: Daniël Cohen. Choreografie: Sarah Miles. Decor: Klara Zieglerova. Regie: Lou Jacob. Te zien in het Beatrix-theater, Utrecht. Inl. (0900) 3005000, www.musicals.nl