VOORKEUR ACHTBANEN EN LEZEN HEEFT BIOLOGISCHE BASIS

Traditioneel worden in de psychologie attitudes (opvattingen en houdingen) toegeschreven aan leerprocessen en omgevingsinvloeden. Niet aan aangeboren factoren. Niettemin is met tweelingonderzoek (vergelijking van de eigenschappen van een groot aantal een- en twee-eiige tweelingen) de erfelijke invloeden op opvattingen relatief gemakkelijk te meten. Vier Canadese psychologen hebben dat nu eens gedaan (Journal of Personality and Social Psychology, juni). En wat blijkt? Bij de voorliefde voor harde muziek spelen erfelijke factoren nauwelijks een rol, die verklaren slechts 11 procent van de variatie in deze voorkeur. Bij het spelen van bingo en het vertonen van assertief gedrag spelen genen zelfs helemaal geen rol. Bij voorliefde voor grote feesten en het maken van kruiswoordpuzzels is de genetische invloed al groter (respectievelijk 38 en 43 procent van de variatie).

Maar bij een liefde voor achtbanen spelen genetische factoren pas echt een grote rol (52 procent van de verklaarde variantie). Ook bij meningen over abortus (54%), de doodstraf (50%), het lezen van boeken (57%) en het beoefenen van georganiseerde sporten spelen erfelijke factoren een centrale rol bij de verklaring van verschillen tussen mensen. Veel is nog onduidelijk, schrijven de auteurs in hun conclusie, maar wel is duidelijk dat houdingen en voorkeuren (attitudes) niet alleen maar aangeleerd zijn, maar vaak ook een krachtige biologische basis hebben.

De psychologen hebben het in hun studie overigens niet gelaten bij de opsomming van deze curieuze maar ook wel enigszins triviale feiten. Het is nu eenmaal vrij onwaarschijnlijk dat er een gen of zelfs een groep genen zou bestaan die specifiek de liefde voor achtbanen zou bepalen. En dus lieten de psychologen de in totaal 336 tweelingparen (195 eeneiig, 141 twee-eiig) uit hun onderzoek ook vragen beantwoorden over 20 meer algemene persoonlijkheidskenmerken, waarbij het al een stuk aannemelijker is dat er genetische invloed bestaat. De variëteit in nederigheid, eerzucht, exhibitionisme, esthetisch gevoel en vriendelijkheid bleken het sterkst erfelijk bepaald (resp. 58, 46, 43, 41 en 42 procent), die in netheid, behulpzaamheid en inconsistentie het minst (resp. 0, 0 en 16 procent). Waarom behulpzaamheid (helpfullness) niet en het toch op het oog nauw verwante vriendelijkheid (friendliness) wel erfelijk beïnvloed worden, wordt overigens niet duidelijk.

Vervolgens zijn de auteurs gaan kijken of de erfelijkheid van deze meer algemene persoonlijkheidskenmerken niet samenhangen met de erfelijkheid van bepaalde (triviale) voorkeuren. Bij een aantal clusters was dat het geval. Soms was het verband verrassend. Opvattingen en houdingen die met zintuigelijke ervaringen te maken hebben (zoals ten aanzien van harde muziek, achtbanen en grote feesten) bleken in hun erfelijke bepaaldheid bijvoorbeeld vooral samen te hangen met de persoonlijkheidstrekken vriendelijkheid, speelsheid en esthetisch gevoel. Niet zozeer de zintuigelijke input maar vooral het sociale aspect lijkt dus de erfelijke voorkeur voor achtbanen te bepalen.