Voedselautoriteit maakt een zwakke indruk

De controle op voedselveiligheid moet in handen komen van één sterke Voedselautoriteit. Wordt deze sterk genoeg?

Om een goede voedselveiligheid te waarborgen, is één sterke instantie nodig: een nationale voedselautoriteit. Dat vinden het kabinet, een Kamerbrede meerderheid in het parlement, maar ook de voedingsmiddelenindustrie en de agrarische sector.

Toch komt die sterke voedselautoriteit er voorlopig niet in de vorm die bijvoorbeeld de PvdA voor ogen staat. De betrokken ministers, Borst (Volksgezondheid, D66) en Brinkhorst (Landbouw, D66) willen in 2002 een Nederlandse Voedselautoriteit (NVA) oprichten met slechts twee taken: advies uitbrengen en zichzelf verder oprichten. De daadwerkelijke controle op de voedselveiligheid blijft daarbij in handen van de Keuringsdienst van Waren en de Rijksdienst voor de keuring van Vee en Vlees (RVV), die onder directe verantwoordelijkheid van het ministerie van Volksgezondheid respectievelijk Landbouw blijven werken. De toekomstige NVA zal geen overkoepelende functie krijgen, maar voorlopig ressorteren onder beide ministeries.

In het oprichtingsbesluit dat het kabinet volgende week bespreekt, wordt de NVA omschreven als ,,niet meer of minder dan de eerste stap in een groeiproces waarin de NVA fungeert als in beginsel onafhankelijke autoriteit op het gebied van voeding en gezondheid''. Het is nog niet duidelijk hoe die onafhankelijkheid zal worden gewaarborgd, en of de NVA een zelfstandige positie zal krijgen.

,,Te vrijblijvend'', oordeelt een ingewijde over het oprichtingsbesluit, ,,typisch paars.'' ,,Het had wat zwaarder mogen worden aangezet'', zegt een andere betrokkene. In de Kamer wordt het voorstel met argusogen tegemoet gezien. ,,Het mag geen tandenloze tijger worden'', bezweert CDA-Kamerlid J. Atsma. ,,Als de NVA niet mag controleren, is dat veel te mager'', zegt PvdA-woordvoerder Waalkens. De PvdA-fractie heeft vorige week onderzoek aangekondigd naar de noodzaak van oprichting van de NVA.

Vorig jaar november zegden de ministers Borst en Brinkhorst de Tweede Kamer toe dat er een NVA zou worden opgericht. Die zou de ,,regie'' gaan voeren over ,,het onderzoek, de controle en de communicatie'' aangaande de voedselveiligheid. In december, toen de gekkekoeienziekte BSE de onrust over voedselveiligheid aanwakkerde, beloofden zij daar haast mee te maken. Er kwam een NVA-in-oprichting die werd geleid door een Landbouw-ambtenaar, W. de Wit, en ook door dat ministerie werd bekostigd. Landbouw, het ministerie dat minister Brinkhorst graag zou omvormen tot een ministerie voor de hele voedselketen, nam zo ,,met volledige instemming van Borst'' het voortouw.

Het leek erop dat de NVA volledig onder het ministerie van Landbouw zou gaan ressorteren. Maar daartegen bestond grote weerstand bij betrokkenen en Kamerleden die vinden dat de controle op voedselveiligheid thuis hoort bij Volksgezondheid. Ook twijfelde een Kamermeerderheid van PvdA, CDA en SP aan de onafhankelijkheid van de NVA, indien die onder LNV zou gaan ressorteren. De producent zou in dat geval zijn eigen producten op veiligheid controleren.

Onder druk van betrokkenen besloten de ministers van Landbouw en Volksgezondheid om de NVA voorlopig toch onder hun beider hoede te houden. Met de oprichting van de NVA hebben ze hun belofte aan de Kamer ingelost. Door de NVA nauwelijks mandaat te geven, hebben ze de invulling van de taken aan de NVA zelf overgelaten. Volgens Borst en Brinkhorst ontbreekt de tijd om de NVA nu al wettelijke bevoegdheden te geven. Voorlopig kan het instituut zichzelf verder oprichten en wetenschappelijke rapporten maken om de Nederlandse normen vast te stellen voor voedselveiligheid.