Test onder tijdsdruk

Bedrijven moeten data over duizenden chemicaliën gaan verstrekken. Tenminste, dat wil milieuminister Pronk. Zijn aanpak is echter omstreden. `De vraag is uiteindelijk hoe hard Pronk durft te zijn voor bedrijven die zich niet aan de regels houden.'

Ir. Jan Hellinga zwaait een deur met het opschrift `muggenlarven, vlooien en vissen' open. Hij stapt een kleine kamer binnen. Op een tafel staan vier aquaria naast elkaar. Er zwemmen kleine, zilvergrijze forellen in. ``Ze moeten volgens de regels ongeveer vijf centimeter lang zijn. Anders mag je er geen tests op doen'', zegt Hellinga, hoofd marketing van het bedrijf Notox in Den Bosch. Het bedrijf test allerlei chemicaliën op hun eigenschappen, meestal in opdracht van de chemische industrie of de overheid. Eigenschappen zoals de explosiviteit, de afbreekbaarheid in het milieu en de giftigheid voor mensen, dieren en planten. Voor alle tests zijn regels vastgelegd. Hellinga wijst naar een vissekom met watervlooien. ``De vlooien mogen niet ouder zijn dan 24 uur'', zegt hij. Even later staat hij bij wat bakjes. Ze bevatten water met daarin de stof die moet worden getest. In de vloeistof drijven eitjes van zebravissen. ``De eitjes moeten bij het begin van de proef vier uur oud zijn'', zegt Hellinga. ``Na vier dagen meet je hoe hard ze gegroeid zijn en hoeveel er nog levensvatbaar zijn.''

Bij Notox werken inmiddels 180 mensen. Zes jaar geleden waren dat er nog 85. Het bedrijf groeit snel. Met name omdat de industrie de veiligheidsstudies aan chemicaliën steeds vaker uitbesteedt.

Volgens Hellinga zal Notox het de komende jaren nog veel drukker krijgen. Tenminste, als de radicale plannen van milieuminister Pronk doorgaan. Pronk publiceerde onlangs de strategienota `Omgaan met stoffen'. Volgens die nota moet de industrie voor 2005 een profiel hebben gemaakt van ``alle stoffen die in Nederland op de markt zijn of worden gebruikt''. Dat zijn er naar schatting enkele duizenden. Het profiel moet laten zien hoe gevaarlijk een stof is. Twee jaar eerder al, voor eind 2002, moet een databank met voorlopige profielen gereed zijn, zodat eventuele spoedeisende maatregelen genomen kunnen worden. Stoffen waarvan het profiel niet op tijd gereed is, kunnen worden verboden. `No data, no market', zei Pronk vorige week nog tijdens de bespreking van de nota in de Tweede Kamer.

Dirk van Well van de Vereniging van de Nederlandse Chemische Industrie (VNCI) noemt de nota ``ambitieus, maar onrealistisch''. Hij vindt dat er tè veel stoffen in een tè kort tijdsbestek getest moeten worden. Volgens Mark Koenen van de Stichting Natuur & Milieu is de nota echter een doorbraak. ``De industrie moet nu zelf dossiers over chemicaliën gaan samenstellen. Dat was eerst een taak van de overheid. Onzin natuurlijk. De industrie brengt chemicaliën op de markt, zij moet zelf laten zien dat de producten veilig zijn.'' Vorig jaar behaalde de chemische industrie in Europa een omzet van ruim 1000 miljard gulden.

Gegevens over chemicaliën zullen nu voor het eerst openbaar worden. Ook dat is een doorbraak. Tot op heden houden bedrijven veel data binnen de eigen muren. Maar door de nota verandert dat. Volgens het kabinet past de nieuwe taak van de industrie prima in de onlangs geformuleerde visie op maatschappelijk ondernemen.

Niet alleen in Nederland speelt deze omwenteling zich af. Het gebeurt in heel Europa. Begin dit jaar publiceerde de Europese Commissie een witboek waarin staat dat de industrie in het komende decennium profielen moet gaan leveren van maar liefst 30.000 zogeheten `bestaande' stoffen. Dat zijn stoffen die vòòr 1981 op de markt zijn gebracht. Chemicaliën die later op de markt verschenen, moeten voldoen aan EU-richtlijn `nieuwe stoffen' die strenge eisen stelt aan de veiligheid van een stof. Voor de risicobeoordeling van bestaande stoffen stoffen bestaat sinds 1993 een Europese regelgeving. Het zijn juist deze chemicaliën die vaak in enorme hoeveelheden worden geproduceerd.

Aan welke criteria een profiel van een stof in Nederland precies moet voldoen is nog niet duidelijk. Dat zal in december bekend worden, zo kondigde Pronk vorige week aan. ``Onze sector is daar zeer benieuwd naar'', zegt Hellinga van Notox. Er bestaat namelijk al een standaardlijst aan de hand waarvan een stof moet worden getest. Maar voor een snelle eerste screening, zoals de strategienota die voorschrijft, is de lijst niet geschikt. Het in kaart brengen van bijvoorbeeld smeltpunt, kookpunt en oplosbaarheid in water levert niet zo veel problemen op. Dat is snel te doen. Maar van elke stof moet ook bekend zijn hoe lang het duurt voordat hij in het milieu wordt afgebroken (de persistentie), hoe eenvoudig hij zich in de voedselketen opstapelt (bioaccumulatie) en hoe gemakkelijk hij wordt vervoerd via lucht, bodem of water. Verder moeten er data zijn over de acute en lange-termijn giftigheid voor dieren en planten die in het water leven, en voor mensen. Met name die laatste gegevens vergen langdurende, kostbare studies. Daarom is die eerste deadline, eind 2002, moeilijk haalbaar. Hellinga: ``Bedrijven hebben weliswaar veel gegevens over de stoffen die ze produceren, maar niet alle. We merken dat het steeds dezelfde data zijn die ontbreken. Het gaat altijd om de wat duurdere studies. Om data over de effecten op het voortplantingssysteem, of over lange-termijn effecten.'' Hellinga verwacht trouwens dat het aantal dierproeven zal toenemen als alle chemicaliën volgens de standaardlijst moeten worden getest. Om de giftigheid van stoffen te testen houdt Notox ook knaagdieren, honden, eenden en kwartels.

Als oplossing voor langdurende proeven schrijft Pronk in zijn nota het gebruik van computermodellen voor waarmee lange-termijn effecten kunnen worden voorspeld. In zijn nota worden met name de zogeheten QSAR's (dat staat voor quantitative structure-activity relationship) genoemd. Deze modellen voorspellen de activiteit van een stof, op basis van zijn chemische structuur. ``Maar je kunt er niet àlles mee voorspellen'', zegt prof.dr. Willem Seinen, toxicoloog bij het Institute of Risk Assessment Studies van de Universiteit Utrecht. Wil je betrouwbare voorspellingen doen, dan is het volgens hem noodzakelijk om algemene principes van chemicaliën te kennen. ``En die hebben we amper. We moeten niet de illusie hebben dat we met die QSAR's ineens van alles kunnen gaan voorspellen.'' Ook prof.dr. Kees van Leeuwen, verbonden aan het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieuhygiëne (RIVM) in Bilthoven, heeft zijn bedenkingen. ``Voor een aantal gegevens kun je de schattingsmodellen goed gebruiken. Bijvoorbeeld om de bioaccumulatie te voorspellen, of de effecten in het milieu. Maar ze zijn niet geschikt om bijvoorbeeld de lange-termijn schade bij de mens te voorspellen'', zegt Van Leeuwen, die bij het RIVM hoofd is van het Bureau Milieugevaarlijke Stoffen. Het bureau inventariseert en beoordeelt risico's van stoffen. Vanwege de expertise van het bureau wil minister Pronk graag dat het bureau in de toekomst ook de ingeleverde dossiers van alle te testen chemicaliën gaat controleren. Vorige week kondigde hij aan dat hij geld beschikbaar gaat stellen voor extra mankracht. Pronk wil namelijk niet dat ``het bedrijfsleven met wachttijden wordt geconfronteerd''. Dat zou tot kritiek, en tot ondermijning van het programma, kunnen leiden.

Ook Hellinga bevestigt de onnauwkeurigheid van de modellen. ``We hebben een tijdje een model gehad waarmee je de schadelijke lange-termijn effecten van een stof zou kunnen voorspellen. Schade aan het voortplantingsapparaat bijvoorbeeld. Maar met dat model zijn we gestopt. Het werkte niet.'' Volgens Hellinga is de tijdslimiet van Pronks programma daarom erg krap. ``Het kost ons al gauw een jaar om alleen al de gegevens van een stof te verzamelen en te evalueren, en de ontbrekende data in kaart te brengen. En dan tel ik de benodigde aanvullende tests niet eens mee. Die kunnen maanden tot jaren in beslag nemen.''

Toch is Mark Koenen van de Stichting Natuur & Milieu voorstander van die eerste screening. Ook al is die heel grofmazig. ``Je moet toch ergens beginnen'', zegt hij. ``Zo krijg je in ieder geval een aanwijzing waar mogelijke risico's liggen.'' Maar Dirk van Well van de VNCI vreest dat chemicaliën op die manier in de verkeerde klasse worden ingedeeld. Het Nederlandse kabinet wil vijf `gevaarscategorieën' gaan hanteren die variëren van `ernstige zorg' tot `vooralsnog geen zorg'. Komt een stof in die eerste categorie, dan moet een bedrijf maatregelen nemen om het eventuele risico te beperken. Volgens Van Well is de kans groot dat allerlei stoffen onterecht in de categorie `ernstige zorg' belanden en dat de industrie maatregelen moet nemen die later toch niet nodig bleken. Dat maakt de kosten, die sowieso al hoog zijn, onnodig hoog. Alleen al voor het samenstellen van de profielen van 30.000 stoffen verwacht de chemische industrie in Europa in totaal 8 miljard euro kwijt te zijn. De Europese Commissie daarentegen houdt het op 2 miljard euro. ``Dat laatste cijfer is denk ik aan de lage kant'', zegt Hellinga. Voor het verzamelen en evalueren van gegevens rekent Notox 15.000 tot 50.000 gulden, per stof. Omgerekend zou dat dus neerkomen op zo'n slordige 200 tot 680 miljoen euro. ``Maar daar komen dan nog de kosten voor de ontbrekende, dure tests bij'', zegt Hellinga. ``Reken dus maar een veelvoud van dat bedrag.''

De VNCI wil het liefst voorrang geven aan de beoordeling van een beperkt aantal stoffen, de zogeheten HPVC's (high production volume chemicals). Dat zijn stoffen waarvan een land jaarlijks meer dan 1.000 ton maakt of importeert. Voor Nederland zou het volgens Van Well dan gaan om ``enkele honderden stoffen''. Zo'n beperking zou volgens hem effectiever zijn. Bovendien sluit het goed aan bij het al lopende HPV-programma. Dat werd begin jaren negentig opgestart door de OECD, een organisatie waarvan 29 geïndustrialiseerde landen deel uitmaken. Op de destijds samengestelde HPV-lijst staan ruim 5.000 stoffen waaronder formaldehyde, DDT en allerlei zinkverbindingen. Maar ook caffeïne, vitamine E en aspirine.

``Dat programma verloopt erg traag'', zegt Van Leeuwen. Jaarlijks worden tien HPV's beoordeeld, maar beperkende maatregelen zijn er voor slechts een handvol getroffen. Redenen voor het trage verloop zijn er volgens Van Leeuwen genoeg. Zo is de capaciteit van het European Chemicals Bureau, dat in Europa verantwoordelijk is voor de eindbeoordeling van de stoffen, volkomen ontoereikend. Bij het bureau werken maar een paar mensen aan HPV's. ``Uitbreiding is al lang geleden aangekondigd, maar zij is nooit gerealiseerd'', aldus Van Leeuwen. Volgens hem wil de Europese Commissie de snelheid van de procedure vertienvoudigen.

Maar ook de industrie ligt dwars. Van Leeuwen: ``In het HPV-programma moeten de overheden de dossiers van de stoffen nog zelf samenstellen. De industrie hoeft de gegevens alleen maar aan te leveren. Maar dat gaat erg traag. En als het dossier bijna klaar is, komen de bedrijven ineens met een verzameling nieuwe gegevens. Dan kun je weer opnieuw beginnen. Het is de bekende trukendoos.''

Hoe het `stoffenbeleid' er in Nederland uiteindelijk uit gaat zien is nog niet duidelijk. Van Leeuwen vreest dat de eerste snelle screening alleen maar gaat dienen als een prioritering, als leidraad welke stoffen allereerst wat uitgebreider moeten worden onderzocht. ``Dat is wat de industrie wil. Maar als dat gebeurt zijn we gewoon terug bij het HPV-programma. Dan schiet de beoordeling van al die chemicaliën nog niet op.'' Van Leeuwen hoopt daarom dat Pronk daadwerkelijk harde sancties zal treffen als de industrie zich niet aan de deadlines houdt. ``Maar ik vraag me af hoe hard die sancties uiteindelijk zullen zijn'', zegt de toxicoloog.

Minister Pronk liet vorige week al doorschemeren dat de nota die in december gaat verschijnen meteen zal dienen als wetsvoorstel. Hij wil het stoffenbeleid namelijk bij wet vastleggen. Afspraken op basis van een convenant gaat hij in dit geval niet maken. Pronk heeft eerder al laten weten geen voorstander te zijn van convenanten. Ze zijn te vrijblijvend, en leveren over het algemeen te weinig resultaat op. Pronk wil duidelijke eisen kunnen stellen. In december zal blijken hoe hard de sancties zijn voor de bedrijven die zich niet aan de regels houden.