Onvermoede schatten

Hendrik de Knegt bezocht meer dan 800 openbare Egyptische collecties in Europa. Hij bereidde zijn reizen met de grootste precisie voor. Het resultaat: meer dan 2.000 catalogi en 300 dozen met foto's. Nu nog uitzoeken en toegankelijk maken.

Gerhard Hendrik de Knegt ging als amateur-egyptoloog waar geen andere wetenschapper hem was voorgegaan. Hij bezocht 653 openbare collecties Egyptologie in Europa, daalde af in donkere magazijnen en besteeg gammele trappen naar sjofele zolderkamers, op zoek naar alles wat met het oude Egypte te maken had.

Menigmaal kreeg hij ter plekke te horen dat hij zich de reis had kunnen besparen, omdat ze niets bijzonders hadden. Zoals in Ipswich, in het gelijknamige museum, waar 7 september 1990 een bijzondere dag is geworden, omdat De Knegt daar toen in het magazijn een al lang vergeten, nog nooit gepubliceerde sarcofaag uit de 26ste dynastie `ontdekte'. De sarcofaag is daarna opgeknapt en onderwerp van een tentoonstelling en een boekje geworden. En René van Walsem, egyptoloog aan de Universiteit Leiden en gespecialiseerd in mummiekisten uit die periode, kon een nieuw exemplaar aan zijn wetenschappelijke `verzameling' toevoegen.

De Knegts ontdekkingsreizen zijn vastgelegd in 2030 catalogi en museumgidsen en 300 dozen met 30.000 foto's en 78 aantekenboekjes met openingstijden, plattegronden en beschrijvingen van objecten. Ze staan nu, twee jaar na zijn dood, in een kamertje van het onafhankelijke Nederlandse Instituut voor het Nabije Oosten (NINO) en in het magazijn van het Rijksmuseum van Oudheden (RMO) in Leiden te wachten om voor wetenschappers en geïnteresseerden toegankelijk gemaakt te worden.

De naslagwerken en monografieën hebben al hun plaats gekregen in de bibliotheek van het instituut, maar de rest wacht nog op ontsluiting en openbaarmaking op cd-rom. Egyptologe Jana Loose zal deze taak op zich nemen, alleen kan dat pas als het NINO een geldschieter met 150.000 gulden vindt. Maar de tijd dringt. Aan de tijdelijke opslag van het RMO zal binnenkort een einde komen en de foto's plakken al aan de zichtmappen, blijkt bij een willekeurige greep in een doos.

Marcel Marée, curator bij de Egyptische afdeling van het British Museum, onderstreept het belang van de openbaarmaking van De Knegts materiaal. In plaats van opgraven in Egypte zouden veel musea er goed aan doen hun magazijnen eens `op te graven', zegt hij. Hij merkt het bij de huidige grootscheepse reorganisatie van het British Museum. Uit de magazijnen komen `schatten' waar veel egyptologen allang geen weet meer van hebben. Ontsluiting van de collectie van De Knegt kan helpen nog nooit gepubliceerd materiaal weer naar boven te brengen.

Oorlogsbuit

De Knegt, in 1924 geboren in Amsterdam, was afkomstig uit een gegoede familie. Als kind was hij al bezig met verzamelen, vooral van potjes en glazen. Ze stonden in een eigenhandig ingericht `museum', dat de familie tegen betaling mocht bezichtigen. Na zijn dood troffen zijn twee dochters in de garage in de kist, waarop zijzelf en later hun kinderen hadden gespeeld, nog een `oorlogsbuit' aan: op scherp staande handgranaten. Het klinkt allemaal heel avontuurlijk – Lawrence of Arabia was ook een grote held van hem – maar De Knegt zelf was verre van een avonturier. Hij ging het liefst op reis in zijn boeken.

Zijn museumreizen bereidde hij later met de grootste precisie voor. De aantekenboekjes, 40 gewijd aan de langere, meerdaagse reizen, 38 aan twee- of eendaagse reizen, zijn de stille getuigen: de datum van de reis, paspoortnummers, verzekeringen – geen eigen risico – hoeveelheden geld en cheques, adressen van mensen aan wie kaarten gestuurd moesten worden, boekhandels die hij onderweg zou tegenkomen, het aantal fotorolletjes, vier soorten fotocamera's en lenzen, bagage, restaurants, alles noteerde hij van te voren, tot de `drie broodjes tartaar' die hij op de eerste reisdag zou eten. De wegenkaarten waren steevast van Kümmerley & Frey. Met die in de hand kon hij er bijvoorbeeld zeker van zijn dat hij op 15 oktober 1993 vijf collecties in Helsinki en Tampere kon bezoeken. En als hij onverhoopt toch achter dreigde te raken op zijn schema liet hij de lunch schieten voor een broodje uit de hand in de auto, in de plaatselijke garage.

De Knegt begon met zijn museumreizen in de jaren zeventig. Een vakantiereis naar Egypte met zijn vrouw had de belangstelling voor de egyptologie aangewakkerd. Toen zijn vrouw ongeneeslijk ziek werd, verkocht hij de drukkerij waarvan hij directeur en eigenaar was om nog zo lang mogelijk leuke dingen te gaan doen. Na de dood van zijn vrouw begon hij de zaak serieus aan te pakken. Hij nam zich voor alle publiek toegankelijke Egyptologische collecties in Europa in kaart te brengen en te bezoeken, liet kaartjes en briefpapier drukken voor wat hij het EMCP (Egyptological Museum Collections Project) noemde, volgde een basiscursus hiërogliefen in het RMO en dook de bibliotheek van het NINO in, om daar de sectie museologie van de Annual Egyptological Bibliography te kopiëren. Hij haalde verder zijn te bezoeken collecties overal vandaan. De Leidse hoogleraar Borghouts, die ooit in zijn jeugd een vergelijkbaar project was begonnen, hoorde van De Knegts plannen en schonk hem zijn kaartenbak met gegevens. De Knegt liep ook stelselmatig de indexen en inventarisnummers na in monografieën over onderwerpen als scarabeeën en amuletten. Op den duur kreeg hij ook via via tips over verzamelingen.

Hij telde uiteindelijk 878 collecties, waaronder de collectie Egyptische pruiken op het Duitse hoofdkwartier van haarverzorgingsfabrikant Wella en de schoenenverzameling van Bata. Een korte briefwisseling met de desbetreffende collectiebeheerders – tussen 7 september 1987 en 20 juni 1994 schreef hij 1375 brieven – was meestal genoeg om ook de collecties die tijdelijk gesloten waren, zoals het Museo Egizio in Venetië, te bezoeken. Bij terugkomst in zijn woonplaats Laren markeerde hij op een grote landkaart van Europa met een speldje ieder volbracht doel.

Een blik op de kaart is genoeg om te zien dat de meeste collecties in Engeland en Frankrijk zijn, de landen waar in de achttiende eeuw de Egyptomanie het grootst is geweest. Menig Engelse Lord heeft indertijd voor zijn financiële bijdrage aan een opgraving een deel van de buit gekregen, die na zijn dood verdwenen is in een lokaal museum, waar de objecten in de vergetelheid zijn geraakt.

Sarcofaag

De Knegt deed op zijn reizen – de laatste jaren met zijn vriendin Lucie Zindel, goed voor aantekeningen en `twee broodjes kaas' – ook het Oostblok aan. Maarten Raven van het RMO weet dat hij in Hongarije op een school een onbekende sarcofaag gefotografeerd moet hebben die ooit door een pasja is geschonken. Maar hoe de sarcofaag eruit ziet en waar hij is, kan Raven niet zeggen. De informatie ligt nog verborgen in een van de dozen van het wijnhuis Verbunt.

De Knegts hele villa stond vol met dergelijke dozen, blijkt uit foto's die hij van het interieur van zijn huis heeft gemaakt. Alleen zijn slaapkamer was nog vrij. En de vraag blijft: neemt nog iemand de schone taak op zich om de overgebleven 225 collecties te bezoeken?