Mens en dier

Dieren zijn geen genetisch geprogrammeerde machines. Ze hebben cultuur en emoties. En apen waarschijnlijk het meest van allemaal. 'Inleven' mag weer, zeggen Frans de Waal en Jan van Hooff.

Normaal maken resusaapjes veel ruzie. Maar de Nederlands-Amerikaanse primatoloog Frans de Waal is erin geslaagd deze macho's door handige manipulatie vriendelijker te maken. Na behandeling vlooiden zijn resusapen elkaar vaker, ze waren vriendelijker en ze vertoonden veel meer verzoeningsgedrag.

Wat was het medicijn voor de normaal zo nerveuze en chagrijnige resusaap?

De cultuuromslag bij de resusapen vond plaats nadat De Waal hen samenbracht met een groep iets oudere, van nature veel vriendelijker gestemde beermakaken. Samen met een promovenda, D.L. Johanowicz, bestudeerde De Waal de gemengde groep vijf maanden lang. Door hun leeftijd en lichaamsgrootte waren de beermakaken vanaf het begin dominant in de groep. Zíj bepaalden de toon en de omgangsnormen. Vriendelijk (en machtig) als ze waren negeerden de beermakaken het ruziegedrag van hun resusneven. Langzamerhand namen de resusaapjes het meer relaxte gedrag van de beermakaken over. Zelfs toen ze weer werden gescheiden van hun goedmoedige tutors, bleef het effect bestaan. Wegens geldgebrek is het experiment spoedig daarna afgebroken. ``Als we die resusapen als groep bij elkaar hadden gehouden, was er een nieuwe resusmaatschappij ontstaan. Daar ben ik van overtuigd'', betoogde De Waal eerder deze maand op een symposium in Utrecht, ter ere van het emeritaat van zijn leermeester Jan van Hooff als hoogleraar ethologie.

``Ik geloof er niks van'', zei echter de kersverse emeritus Van Hooff tijdens de lunch op hetzelfde symposium. ``Ik denk dat de invloed van habitat en aanleg veel groter zullen zijn dan die aangeleerde karakterverandering.''

``Zei hij dat echt?'' vraagt Frans de Waal verbaasd, een paar dagen later tijdens een gesprek in het kantoor van zijn Nederlandse uitgever. ``Ja, de habitat'', zegt De Waal, na een lichte aarzeling. ``De biotoop maakt natuurlijk uit. Maar als je ze verder in dezelfde kooien houdt en als een eigen kolonie, dàn ben ik ervan overtuigd dat het verschil zal blijven bestaan.''

Dat er onder dieren culturen bestaan, staat tegenwoordig buiten kijf, cultuur in de betekenis van `niet-genetische gedragsoverdracht'. Onder deze definitie vallen alle gedragingen en trucjes die dieren leren van anderen, en dat zijn er vele. In zijn nieuwe boek De aap en de Sushimeester. Over cultuur bij dieren (320 blz. Contact ƒ69,90) geeft De Waal een overzicht van het onderzoek op het gebied van diercultuur. Zoals in al zijn werk benadrukt De Waal de overeenkomsten tussen mens en dier.

Maar hoe vér de invloed van de cultureel bepaalde gedragselementen strekt, is nog omstreden, zoals blijkt uit het kleine verschil van mening van Van Hooff en zijn leerling De Waal. Zullen De Waals `verbeterde resusapen' inderdaad hun verzoenende gedrag behouden en doorgeven aan hun nakomelingen als ze een aparte kolonie waren geworden?

Om zijn verwachting van een blijvende verandering kracht bij te zetten, noemt De Waal andere voorbeelden van culturele variatie in de sociale sfeer bij resusapen. ``In het Wisconsin Primate Center heb ik twee andere groepen resusapen bestudeerd, gewone groepen. Bij de ene groep stond de Alfa-man, de leider, de Bèta-man niet toe om in zijn gezichtsveld te paren. En de Bèta-man deed hetzelfde met de Gamma-man (de nummer drie in de hiërarchie), enzovoorts. Daarnaast was er een zelfde kooi, met een zelfde soort kolonie, waar het de mannen wel was toegestaan om te paren in het gezichtsveld van een dominante man. Ik heb die groepen tien jaar bestudeerd, met verschillende Alfa-mannen, en het verschil bleef. Het lag niet aan die ene vent. Het is een duidelijk en blijvend cultureel verschil in tolerantie.''

De opleving van aandacht voor cultuur bij dieren is nauw verwant met de kwestie of biologen zich mogen inleven in dieren. In de westerse biologie mochten dieren in wetenschappelijke publicaties niet eens namen krijgen. Dat is voorbij. Frans de Waal bepleit een diercentrisch antropomorfisme. ``Zeker met mensapen heb je zoveel gemeen dat je dankzij inleving een enorme voorsprong hebt in het begrijpen. Onze emoties, onze manier van denken, onze manier van doen, onze samenleving: er zijn allerlei raakvlakken met mensapen. We moeten die intuïties gebruiken in ons wetenschappelijke werk, anders gedragen we ons als een soort marsmannetjes. Je moet die inleving natuurlijk wel kritisch toepassen, anders krijg je Bambi-biologie. Een bioloog moet een dier proberen te begrijpen zoals het dier in elkaar zit, niet zoals een mens zou doen als hij dat dier was! Er is te veel pessimisme over de mogelijkheden daartoe. Maar nu zelfs een blinde bioloog, G. Vermeij, wel eens heeft verteld dat hij gebruik maakt van een soort echolocatie, zie ik niet in dat we ons nooit zouden kunnen inleven in bijvoorbeeld een vleermuis, om maar eens een beroemd voorbeeld te noemen.''

Met de emancipatie van inleving in de emoties van dieren is de cirkel rond, verklaarde primatoloog Jan van Hooff in zijn afscheidsrede in Utrecht. Toen Van Hooff in de jaren vijftig in de wetenschap ging werken, ontmoette hij nog het staartje van een oudere Nederlandse traditie van `inlevende' dierstudie. Van Hooff: ``Dat was de dierpsychologie van F. Buytendijk en J. Bierens de Haan. In de jaren dertig was er felle strijd geweest tussen deze club en de nieuwe ethologie van Niko Tinbergen. De oude psychologen onderzochten de psyche van het dier als de drijvende kracht van het systeem, vanuit een soort vitalistische en dualistische overtuiging. En daarbij onderzochten ze allerlei heel moderne zaken: gevoel voor getallen, woordbegrip, maar wel tegen een heel andere achtergrond dat nu. Tinbergen en de zijnen beschouwden die pogingen om het dierlijke subject te ontrafelen als vruchteloos. De psyche van een dier was een black box. Je kon alleen maar onderzoeken wat er inging: stimuli, en wat er uit kwam: gedrag. Het ging om de wetmatige samenhang tussen gedrag en omstandigheden, om rigoureuze objectieve analyses.''

Van Hooff stond duidelijk in de Tinbergenschool, maar ging niettemin zaken bestuderen als communicatie en gezichtsuitdrukkingen bij apen, waarbij je al gauw met emoties te maken krijgt. ``Bij Tinbergen ging het alleen om stimulus en respons, het dier was blind en instinctief. Nu gaan we ons veel meer afvragen: wat is het benul dat een aap heeft van zijn betrekkingen met anderen? Wat is dierlijke cognitie? Het subject is tegenwoordig weer helemaal terug, de beleving is terug. Alleen niet in de vage termen van toen, maar in goede nauwkeurige onderzoeken en experimenten.'' Zoals Van Hooff het desgevraagd nader uitlegde: ``De weerstand tegen Buytendijk was een noodzakelijke zuivering. Als je spreekt over verdriet moet je dat duidelijk omschrijven in te observeren gedrag. Dan kom je uit op dingen als apathie, zich afscheiden van de groep, enzovoorts. Dat moet je dan gaan tellen.'' Of zoals De Waal het zegt: ``Wat dieren voelen, weet ik niet. Ik kan alleen hun voorkeuren meten.''