JONGE KERKUILEN GAAN SCHREEUWEND VOOR HET HOOGST HAALBARE

Het is nu in menige boerenschuur makkelijk vast te stellen: jonge kerkuilen gaan niet alleen vocaal tekeer als hun ouders bij het nest zijn, maar ook in hun afwezigheid. In tegenstelling tot de meeste vogeljongen houden ze het dus niet bij bedelgeluid alleen. Hun geschreeuw speelt een duidelijke rol bij het betwisten en verdelen van bronnen: door de ouders achtergelaten voedsel. Worden beide vormen van roepen op dezelfde manier beïnvloed door de werkelijke voedselbehoefte? Zoöloog A. Roulin van de universiteit van Cambridge, die dit onderzocht, beschrijft zijn bevindingen in het tijdschrift Behavioral Ecology and Sociobiology (49/6). Hij manipuleerde het liggende voedselaanbod van 26 nesten kerkuilen (Tyto alba), door prooi-onderdelen toe te voegen of juist, ondanks de beschermde status van kerkuilen, weg te nemen.

Als de ouders afwezig waren riepen de enigszins honger lijdende jongen uit daadwerkelijke nood, in aanwezigheid van de ouders vervaagde het verband tussen roepen en werkelijke behoefte. Dat sluit aan bij een algemeen beeld: dat eerlijkheid bij om voedsel bedelende jongen ver te zoeken is. Ze gaan voor het persoonlijk hoogst haalbare.

Alleen vogelouders, zoals sommige soorten parkieten, die een roulerend voederschema toepassen waarbij iedereen netjes aan de beurt komt, krijgen hun kroost stil. Bij anderen blijft het herrie. Jonge kerkuilen zijn daarbij nogal ongeremd, ook als hun ouders afwezig zijn. Ze groeien betrekkelijk beschermd op, in al dan niet natuurlijke holtes, en verkeren in de luxueuze positie zich vaak te kunnen laten horen. Bij doorsnee vogels geldt dat in mindere mate, omdat roepen het lokken van roofdieren vergroot.

Boeiend in dat verband is een signalement in hetzelfde tijdschrift, uit ander Brits onderzoek, naar het roepen door vogeljongen: zuidelijke klapeksters (Lanius meridionalis). Het viel de biologen Amber Budden en Jonathan Wright van de Universiteit van Wales op dat ook deze jonge klauwieren, half beschermd in hun stevige nesten, in afwezigheid van hun ouders in duidelijk opeenvolgende series schreeuwden. Als ze dat deden, herhaalden ze dat even later weer, en na een korte rust nog eens, om daarna langdurig volledig stil te zijn. Een mogelijke verklaring is dat, als er dan toch eenmaal flink is geschreeuwd, het kort daarna volgende geschreeuw de kans op het aantrekken van roofdieren niet veel groter maakt. Als het al een tijdje stil is, zet je met geroep relatief méér overlevingskans op het spel.

Het is een aardige verklaring voor het feit dat veel vogeljongen soms de geest lijken te hebben en driftig periodiek tekeer gaan, bijvoorbeeld om een eersterangs zitplaats bij de voedselaanvoer, om dan lang aaneen te zwijgen. Ze schakelen, evolutionair verantwoord, tussen een grotere kans om te eten en een grotere kans om gegeten te worden.